Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-memo.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-memo. De tekst verwijst naar de periode direct voorafgaande aan en rond 10 mei 1940. 2)
verkooping in het openbaar moet worden
aangemerkt.
Indien dit standpunt, ~~ook in~~
hoogste instantie wordt aanvaard, is de
Gemeente over de laatste twee jaren ~~voor~~
voorafgaande ^(aan)^ 10 Mei 1940 het registratierecht
verschuldigd (de vordering verjaart in twee jaren -
beachten art. 98 der Wet), alsmede een
boete gelijk aan het vijfvoud van het recht,
(art 89 ^(der Wet)^).
De Inspecteur der Successie en Registratie
met wien ik het in den aanhef bedoelde
stuk besprak, verklaarde, dat de Minister,
die krachtens art. 99 lid 3 der Wet bevoegd is in
bijzondere gevallen kwijtschelding van recht
en boete te verleenen, zeer waarschijnlijk bereid
zal zijn in dit geval van deze bevoegdheid gebruik
te maken, aangezien uiteraard de goede trouw
van de Gemeente ten deze vaststaat. Juist
omdat deze goede trouw werd aangenomen, verzocht
de Inspecteur in zijn brief, om hem op te
geven, welke personen in 1938, 1939 en de eerste
maanden van 1940 visch - anders dan ~~die hun~~
~~door hen zelf werd gevischt~~ - in den afslag
lieten verkoopen. De bedoeling was, dat
de Administratie zelf bij deze verkoopers een
navordering van het recht zou indienen en dus
niet de Gemeente terzake zou belasten.
Ik deelde den Inspecteur echter mede, dat
het voor mijn dienst een haast ondoenlijke
opgave is, om uit de ~~vele~~ duizenden afslagbriefjes
van de laatste ~~twee~~ jaren uit te zoeken,
wie de ^(eigenlijke)^ ~~verkoopers~~ ^(leveranciers)^ der verschillende partijen
visch zijn geweest. ~~tot~~
Indien de Minister bereid is, om terzake
aan de Gemeente, die het recht formeel verschul-
digd is, kwijtschelding te verleenen, zou deze
uiterst omvangrijke arbeid kunnen worden
bespaard. Ik stel dus voor een terzake
strekkend request aan het Departement van
Financiën te richten.
[Linkermarge boven:]
I.v.m. mijn
desbetreffende
vraag,
[Linkermarge onder:]
(enerzijds
veelal weer in
opdracht van
anderen, d.i.
visschersbonden) De auteur van dit document (vermoedelijk een gemeentesecretaris of juridisch adviseur) analyseert een fiscaal risico voor de gemeente. De centrale vraag is of de verkoop via de visafslag juridisch gezien als een 'openbare verkoop' geldt. Indien dit het geval is, is de gemeente over de periode 1938-1940 achterstallig registratierecht en een boete (vijfmaal het belastingbedrag) verschuldigd.
Er is contact geweest met de Inspecteur der Successie en Registratie. Deze geeft aan dat de Minister van Financiën waarschijnlijk bereid is tot kwijtschelding omdat de gemeente te goeder trouw heeft gehandeld. De Inspecteur stelde echter voor om de belasting dan direct bij de individuele verkopers te innen. De auteur van de notitie wijst dit af als onuitvoerbaar: het zou betekenen dat duizenden individuele afslagbonnetjes van de afgelopen twee jaar handmatig gecontroleerd moeten worden om de leveranciers te identificeren. Het advies is om een formeel verzoek ('request') aan het Ministerie te sturen voor volledige kwijtschelding voor de gemeente zonder dit onderzoek. De tekst is geschreven in de periode van de Duitse inval in Nederland (mei 1940). De datum '10 Mei 1940' markeert hier de grens van de tweejarige verjaringstermijn voor de belastingvordering. De notitie biedt een inkijkje in de complexe administratieve werkelijkheid van de visserijsector, waarbij de gemeente als tussenpersoon fungeerde in een markt waar ook vissersbonden een rol speelden. Het illustreert de spanning tussen de strikte letter van de belastingwet en de praktische uitvoerbaarheid van controles in een tijd van grote nationale crisis.