Archief 745
Inventaris 745-330
Pagina 349
Dossier 44
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte ambtelijke nota of memorandum (doorslag).

Origineel

Getypte ambtelijke nota of memorandum (doorslag). (De tekst begint halverwege een zin)

...voorafgaande aan 30 Mei 1940 het registratierecht verschuldigd (de vordering verjaart in twee jaren, krachtens artikel 98 der Wet), alsmede een boete gelijk aan het vijfvoud van het recht (artikel 89 der Wet).

De Inspecteur der Successie en Registratie, met wien ik het in den aanhef bedoelde stuk besprak, verklaarde op mijn desbetreffende vraag, dat de Minister, die krachtens artikel 99 lid 3 der Wet bevoegd is in bijzondere gevallen kwijtschelding van recht en boete te verleenen, zeer waarschijnlijk bereid zal zijn in dit geval van deze bevoegdheid gebruik te maken, aangezien uiteraard de goede trouw van de Gemeente ten deze vaststaat. Juist omdat deze goede trouw werd aangenomen, verzocht de Inspecteur in zijn brief, om hem op te geven, welke personen in 1938, 1939 en de eerste maanden van 1940 visch – anders dan die door hen zelf werd gevischt – in den afslag lieten verkoopen. De bedoeling was, dat de Administratie zelf bij deze verkoopers een navordering van het recht zou indienen en dus niet de Gemeente terzake zou belasten.

Ik deelde den Inspecteur echter mede, dat het voor mijn dienst een haast ondoenlijke opgave is, om uit de vele duizenden afslagbriefjes van de laatste jaren uit te zoeken, wie de eigenlijke verkoopers der verschillende partyen visch zijn geweest.

Indien de Minister bereid is, om terzake aan de Gemeente, die het recht formeel verschuldigd is, kwijtschelding te verleenen, zou deze uiterst omvangrijke arbeid kunnen worden bespaard. Ik stel dus voor een terzake strekkend request aan het Departement van Financiën te richten.

Naast deze aangelegenheid, die op het verleden betrekking heeft en van veel meer belang nog dan deze, is evenwel de vraag, of voortaan het registratierecht door den afslag aan de verkoopers (voor zoo ver dezen niet de visschers zijn) moet worden berekend. Indien wordt aangenomen, dat de afslag "openbaar" is, in den zin der Registratiewet 1917 zal aan de voorschriften van het bovenaangehaalde Koninklijk Besluit van 4 Mei 1917 (S.384) moeten worden voldaan, tenzij de Minister termen aanwezig acht voor het bijzondere geval van den Amsterdamschen, gemeentelijken vischafslag, krachtens artikel 99 lid 3 der Wet kwijtschelding te verleenen. Ik ben van meening, dat hiervoor zeer sterke motieven kunnen worden aangevoerd.

De Vischafslag van Amsterdam werkt uitsluitend in het algemeen belang. Ten bewijze hiervan diene, dat het gemeente-bedrijf der Vischmarkt, waarvan de afslag verreweg het belangrijkste onderdeel is, jaarlijks een belangrijken verliespost oplevert (in 1938 f 8.236,-; in 1939 f 8.212,-). De voornaamste reden, waarom de afslag in stand wordt gehouden is, om vele honderden Amsterdamsche vischventers, die niet kapitaalkrachtig genoeg zijn om in IJmuiden te koopen (waar onder andere een waarborgsom van f 200,- per kooper moet worden gesteld), in staat te stellen zich van visch te voorzien. Zou de afslag verdwijnen, hetgeen op grond van de bedrijfresultaten reeds is overwogen, dan zouden de vorenbedoelde vischventers op maatschappelijken steun zijn aangewezen. De afslag heeft dan ook in de eerste plaats een sociale beteekenis. De kern van dit document is een fiscaal-administratief geschil tussen de Gemeente Amsterdam en de belastingautoriteiten (de Inspecteur der Successie en Registratie). Er is een naheffing en boete opgelegd voor niet-afgedragen registratierechten op visverkopen tussen 1938 en begin 1940.

De auteur van het stuk voert drie hoofdargumenten aan om onder deze betaling uit te komen:
1. Administratieve onuitvoerbaarheid: Het is onmogelijk om met terugwerkende kracht duizenden verkoopbonnen te controleren om de individuele verkopers te identificeren.
2. Goede trouw: Er was geen opzet in het spel bij de gemeente.
3. Sociaal-economisch belang: De Amsterdamse visafslag is verlieslatend maar essentieel voor de lokale economie. Het stelt kleine visventers (die de hoge borgsommen in IJmuiden niet kunnen betalen) in staat hun beroep uit te oefenen en voorkomt dat zij in de bijstand terechtkomen. Dit document is geschreven kort na de Duitse inval in mei 1940. Hoewel de oorlogssituatie niet direct wordt genoemd, weerspiegelt de tekst de voortzetting van de reguliere bureaucratie en de financiële druk op gemeenten in die periode. De "Registratiewet 1917" was op dat moment de geldende wetgeving voor belastingen op openbare verkopen.

Interessant is de vermelding van de concurrentiepositie ten opzichte van IJmuiden; de Amsterdamse afslag fungeerde als een drempelverlagende marktplaats voor de "kleine man". Het document biedt hiermee inzicht in de sociale politiek van de gemeente Amsterdam en de werking van de lokale vissector aan de vooravond van en tijdens het begin van de bezetting. Gemeente Amsterdam

Samenvatting

De kern van dit document is een fiscaal-administratief geschil tussen de Gemeente Amsterdam en de belastingautoriteiten (de Inspecteur der Successie en Registratie). Er is een naheffing en boete opgelegd voor niet-afgedragen registratierechten op visverkopen tussen 1938 en begin 1940.

De auteur van het stuk voert drie hoofdargumenten aan om onder deze betaling uit te komen:
1. Administratieve onuitvoerbaarheid: Het is onmogelijk om met terugwerkende kracht duizenden verkoopbonnen te controleren om de individuele verkopers te identificeren.
2. Goede trouw: Er was geen opzet in het spel bij de gemeente.
3. Sociaal-economisch belang: De Amsterdamse visafslag is verlieslatend maar essentieel voor de lokale economie. Het stelt kleine visventers (die de hoge borgsommen in IJmuiden niet kunnen betalen) in staat hun beroep uit te oefenen en voorkomt dat zij in de bijstand terechtkomen.

Historische Context

Dit document is geschreven kort na de Duitse inval in mei 1940. Hoewel de oorlogssituatie niet direct wordt genoemd, weerspiegelt de tekst de voortzetting van de reguliere bureaucratie en de financiële druk op gemeenten in die periode. De "Registratiewet 1917" was op dat moment de geldende wetgeving voor belastingen op openbare verkopen.

Interessant is de vermelding van de concurrentiepositie ten opzichte van IJmuiden; de Amsterdamse afslag fungeerde als een drempelverlagende marktplaats voor de "kleine man". Het document biedt hiermee inzicht in de sociale politiek van de gemeente Amsterdam en de werking van de lokale vissector aan de vooravond van en tijdens het begin van de bezetting.

Producten

A.G.F. (Aardappelen): Aardappel A.G.F. (Aardappelen): Klei A.G.F. (Fruit): Appel A.G.F. (Fruit): Fruit A.G.F. (Groenten): Groente A.G.F. (Groenten): Sla Dieren: Hond Kruidenier (Droog): Meel Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis Vis & Zee: Visch Vleeswaren: Lever Vleeswaren: Vlees

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Organisaties

Gemeente Amsterdam

Kooplieden in dit dossier 100

J. Izaks Waterlooplein 20,91
A. Dotsch Waterlooplein " 1,98
A. Dotsch Waterlooplein " 1,98
Abraham Prins Waterlooplein " -,58
Abraham Prins Waterlooplein " -,58
J. Premsela Waterlooplein 139,75
C. Beek Waterlooplein 23,46
J. Premsela Waterlooplein 605,63
P. Bond Waterlooplein 65,72
J. Premsela Waterlooplein 170,36
W.F. Siebert Waterlooplein 992,67
J. Cohen Nieuwmarkt 892,55
S. Cohen Zwanenburgwal 28,45
C. Puul Waterlooplein " 5,50
C. Puul Waterlooplein " 5,50
D. de Wit Waterlooplein " 18,36
D. de Wit Waterlooplein " 18,36
en Joh. Koning) Waterlooplein 53,24
J. Dotsch Waterlooplein 59,34
A. Dotsch Waterlooplein 328,62
D. den Dulk Waterlooplein 43,90
E. Zwaan Waterlooplein " -,52
J. Ferwerda Waterlooplein 99,45
V.V.Z. Roode Waterlooplein 522,67
F. Tuyp Waterlooplein " -,32
F. Tuyp Waterlooplein " -,32
Geverding (Suppletie) Waterlooplein 1,80
Geverding (Suppletie) Waterlooplein " 1,80
P. Gomes Waterlooplein 5063,71
geboren 29-10-1907 te Wijk aan Zee). + 2x Veiling + commissionair
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6