Handgeschreven conceptbrief (met doorhalingen en marginalia).
Origineel
Handgeschreven conceptbrief (met doorhalingen en marginalia). 3 december 1940 (3/12 '40). Onbekend (vermoedelijk de beheerder van de Centrale Markt). (Marginale notitie aan de linkerzijde, verticaal geschreven:)
Het verkeer op de markt is reeds thans zeer druk, zoodat thans reeds op de markt hiervan telkens bezwaren worden ondervonden.
(Hoofdtekst:)
[Concept bijlage] A’dam, 3/12 1940
Bodediensten op Centrale Markt.
Den Heer Directeur der Publieke Werken
Raadhuis
70/13/2 M
Naar aanleiding van Uw brief dd. 27 November j.l. No. Geb. / 3991 / 8055. III heb ik de eer U, ter zake van het vestigen der bodediensten op het terrein der Centrale Markt, het volgende te berichten.
I Vestiging op het terrein der Centrale Markt.
Voor zoover het bestrate gedeelte betreft, dat vrijwel geheel voor het marktverkeer wordt gebruikt, is geen terrein van de grootte, als in Uw brief is aangegeven, beschikbaar.
Van de onbestrate gedeelten van het marktterrein, voor zoover deze zijn opgesloten binnen de bestratingen, heeft alleen het grasveld aan de zuidzijde van de hal wellicht voldoende grootte n.l. ± 8000 m2.
[doorgehaald: Ik moet echter tegen de vestiging van bodediensten op dit terrein ernstig bezwaar maken op grond van het navolgende]
Het verkeer op de markt tijdens de markturen is zeer druk. De contrôle op de marktbezoekers en de voertuigen, die ter markt komen, en de op de markt opgeslagen goederen zou ernstig worden bemoeilijkt, indien de bodediensten en het daaraan verbonden personeel tot het marktterrein zouden worden toegelaten. Wellicht zou zelfs het publiek, dat van deze diensten gebruik maakt, toegang tot het terrein moeten hebben! Het is voorts de vraag, of de bodediensten zich zullen kunnen onderwerpen aan de bepalingen t.a.v. de uren van toelating tot de markt, welke bepalingen als ordemaatregelen zijn getroffen en die geheel op de belangen der markt zijn afgestemd.
Het zal verder wellicht noodig zijn, dat de bodediensten kantoortjes vestigen met eenige bergruimte, daar niet is aan te nemen, dat zij hun bedrijf in den open lucht kunnen uitoefenen. De belangen van het marktbedrijf zouden dan ernstig in het gedrang komen [doorgehaald: zoodra het verkeer op de markt zoo wel als van en naar de centrale markt is nu het bijzonder tijdens de]
--- * Schrift: Een vlot, zakelijk handschrift uit de vroege 20e eeuw (Latijns schrift). Het document bevat veel correcties, wat duidt op een conceptversie.
* Inhoud: De auteur reageert negatief op een voorstel om bodediensten (transportbedrijven) een vaste plek te geven op het terrein van de Centrale Markt in Amsterdam. De belangrijkste argumenten tegen de vestiging zijn:
1. Ruimtegebrek: Het bestrate deel is al volledig bezet door marktactiviteiten.
2. Logistiek & Veiligheid: Het verkeer is al te druk (zoals ook benadrukt in de kantlijn). De komst van bodediensten en hun klanten zou de controle op bezoekers, voertuigen en goederen bemoeilijken.
3. Regelgeving: De vrees bestaat dat bodediensten zich niet kunnen houden aan de specifieke openingstijden en ordemaatregelen van de markt.
4. Bebouwing: De behoefte aan kantoortjes en opslagruimte zou de eigenlijke marktfunctie verdringen.
--- * Historische context: De brief is gedateerd in december 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam (geopend in 1934) waren essentieel voor de voedselvoorziening van de stad.
* Logistiek: In deze periode was de distributie van goederen cruciaal maar ook aan strenge regels gebonden (onder andere door schaarste en distributiebonnen). De "bodediensten" waren de voorlopers van de moderne pakket- en palletvervoerders die de stad verbonden met het omliggende platteland.
* Bestuur: De afdeling Publieke Werken (D.P.W.) van de gemeente Amsterdam beheerde de infrastructuur en gebouwen. Deze correspondentie toont de spanning tussen de behoefte aan logistieke ruimte en het ordelijk beheer van de centrale marktplaats.