Archiefdocument
Origineel
10 december 1940 Onbekend (vermoedelijk een afdelingshoofd binnen de gemeente Amsterdam, gezien de adressering). Den Heer Directeur der Publieke Werken, Raadhuis, Alhier (Amsterdam). vD/HG.
70/13/2 M.
Verzonden 10/12
10 December 1940.
Bodediensten op
Centrale Markt.
den Heer Directeur
der Publieke Werken,
Raadhuis,
A l h i e r .
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 November jl. No.Grb.3991/Doss. IIIn heb ik de eer U, terzake van het vestigen der bodediensten op het terrein der Centrale Markt, het volgende te berichten.
I. Vestiging op het terrein der Centrale Markt.
Op de Centrale Markt is, voor zoover het bestrate gedeelte betreft, dat vrijwel geheel voor het marktverkeer wordt gebruikt, geen terrein van de grootte, als in Uw brief is aangegeven, beschikbaar.
Van de onbestrate gedeelten van het marktterrein, voor zoover deze als het ware zijn opgesloten binnen de bestratingen, heeft alleen het grasveld aan de Zuidzijde van de hal wellicht voldoende grootte namelijk 8000 m2. Ik moet echter tegen het vestigen van bodediensten op dit terrein op grond van het navolgende zeer ernstig bezwaar maken.
De contrôle op de marktbezoekers, de voertuigen, die ter markt komen en de op de markt opgeslagen goederen, zou ernstig worden bemoeilijkt, indien de bodediensten en het daaraan verbonden personeel tot het marktterrein zouden moeten worden toegelaten. Wellicht zou zelfs het publiek, dat van deze diensten gebruik maakt, toegang tot het terrein moeten hebben! Het is voorts de vraag, of de bodediensten zich zullen kunnen onderwerpen aan de bepalingen ten aanzien van de uren van toelating tot de markt, welke bepalingen als ordemaatregelen zijn getroffen en die geheel op de belangen der markt zijn ingesteld.
Het zal verder wellicht noodig zijn, dat de bodediensten kantoortjes vestigen met een bergruimte, daar niet is aan te nemen, dat zij hun bedrijf in den open lucht kunnen uitoefenen. De belangen van het marktbedrijf zouden dan ernstig in het gedrang komen. Dit document is een ambtelijk advies of besluit betreffende de logistieke inrichting van de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van de tekst is een gemotiveerde afwijzing van het plan om bodediensten (transport- of koeriersbedrijven) op het marktterrein te huisvesten.
De argumenten zijn drieledig:
1. Ruimtegebrek: De verharde terreinen zijn volledig nodig voor het reguliere marktverkeer. Het enige geschikte onverharde terrein (een grasveld van 8000 m2) wordt om andere redenen ongeschikt geacht.
2. Toezicht en Orde: De auteur voorziet grote problemen met de controle op de toegang van personen, voertuigen en goederen. Het toelaten van bodediensten en hun klanten zou de beveiliging en de strakke marktregels (zoals openingstijden) ondermijnen.
3. Infrastructuur: Het vestigen van fysieke faciliteiten zoals kantoren en opslagruimtes zou de primaire functie van de markt verstoren.
De toon is formeel, zakelijk en beslist, waarbij het belang van de ongestoorde voortgang van de markthandel vooropgesteld wordt. Het document dateert van december 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markt aan de Jan van Galenstraat (het huidige Food Center Amsterdam) was de vitale spil in de voedselvoorziening van de hoofdstad.
In de oorlogstijd stond de logistiek in de stad onder grote druk door vorderingen van voertuigen, brandstofschaarste en de noodzaak om distributiestromen strak te regelen. Het verzoek om bodediensten op het marktterrein te vestigen moet waarschijnlijk in dit licht worden gezien: een poging om transportstromen te concentreren op een centrale plek. De afwijzing toont aan dat het marktbestuur (of de verantwoordelijke wethouder/ambtenaar) de integriteit en de ordelijke werking van de voedseldistributie belangrijker achtte dan de algemene behoefte aan logistieke ruimte voor bodediensten.