Archief 745
Inventaris 745-335
Pagina 427
Dossier 92
Jaar 1940
Stadsarchief

Handgeschreven rapport of ambtelijke brief.

14 december 1935. Van: D. Sytsma (waarschijnlijk een controleur of inspecteur bij het Marktwezen).

Origineel

Handgeschreven rapport of ambtelijke brief. 14 december 1935. D. Sytsma (waarschijnlijk een controleur of inspecteur bij het Marktwezen). [Pagina 1]

Inderdaad zijn dus de klachten gegrond, maar met de hedendaagsche bestuursbescherming staat men daar machteloos tegen over.
Deze verordening heeft in werkelijkheid al een flinke deuk te pakken en werkt zich geleidelijk geheel op zij, tenzij ieder die met handel op of aan den openbaren weg is verplicht kan worden een vergunning te moeten hebben. Ook de politie die men daarover spreekt, bekijkt de bestuursverordening als erg zwak, juist omdat het valsche klachten indienen vrij is, blijft er in de praktijk niet veel van over en gaat er bijv. gezag minder van uit.

Dagelijks vervoeg ik menschen zonder vergunning en neem steekproeven aan de deuren, maar heb reeds ervaren, dat er eenig verband bestaat tusschen koopman en de juffrouw aan de deur. In die gevallen, dat ik meende te kunnen verbaliseeren, werden nog door het kantongerecht te niet gedaan. In werkelijkheid is er maar één groep, wat tamelijk geordend is en wel de lompenbekkers, de rest is nog treurig.

Het prestige van de betrokken ambtenaren wordt er mede door geschaad, daar de massa maar meent, dat gelijk bovenomschreven gevallen, maar door de vingers worden gezien of dat men er geen flauw idee van heeft, wat er langs de straat gebeurd.
Een paar kernachtige uitdrukkingen van verscheiden venters wijzen ten minste in die richting als: „Moet er nu al weer mijn vergunning zijn, dit is toch in orde, maar bemoei je daar en daar maar eens mee. Die ziet en daar zoo,” en dan volgt meestal één van de boven omschreven klachten.

Of: „nu een volgend jaar mij niet meer gezien hoor, die f 5.= kan ik ook anders gebruiken, dat is toch maar weggegooid geld, zoo goed een ander dat mag, mag ik dat ook.”
„Jullie doen er immers toch niets aan.”
Of: „Komt u nu al weer dat ding afteekenen, wat heeft dat nu voor zin, daar staat één, nog wel met een knecht, heeft geen vergunning, loopt mij maar in de wegen gaat ongemoeid zijn gang, waarvoor is nu feitelijk dit bombast.”
„Als ik een hulp neem ga ik op de bon” enz.
Inderdaad zijn er een hoop schrille tegenstrijdig-

z. v. b l.

[Pagina 2]

heden en is er van een behoorlijke ordening in de straathandel nog niet veel te bespeuren.
Dan gebeurt het nog al eens dat menschen zonder verkoopvergunning van het Maatschappelijk-Hulpbetoon handelsgeld verstrekt wordt. Meestal zijn dit venters met een bedelnegotie en worden dan of verwijderd of geverbaliseerd.

Aan Den Heer
Inspecteur v.h.
Marktwezen.

Amsterdam
14 December 1935
(getekend)
D. Sytsma In dit schrijven uit 1935 uit een ambtenaar van het Amsterdamse Marktwezen zijn frustratie over de ineffectiviteit van de toenmalige regelgeving omtrent straathandel. De kernpunten zijn:

  1. Gebrek aan handhaving: De verordening wordt als "zwak" ervaren, zowel door de ambtenaren als de politie. Juridische procedures (verbalen) worden vaak door de kantonrechter geseponeerd of nietig verklaard.
  2. Onvrede onder bonafide handelaren: Venters die wel netjes voor hun vergunning betalen (f 5,-), voelen zich benadeeld. Zij zien dat illegale handelaren ongestoord hun gang kunnen gaan, wat leidt tot een afname van het ontzag voor de controlerende instanties ("bombast").
  3. Sociale corruptie: De auteur merkt op dat er vaak een verstandhouding ("verband") is tussen de illegale verkoper en de klanten, waardoor controle bemoeilijkt wordt.
  4. Bestuurlijke paradox: Een saillant detail op pagina 2 is de observatie dat de dienst Maatschappelijk Hulpbetoon (de toenmalige sociale dienst) soms handgeld verstrekt aan mensen zonder vergunning om een handel te beginnen, terwijl diezelfde mensen vervolgens door het Marktwezen beboet of verwijderd worden. Het document dateert uit december 1935, midden in de Grote Depressie. De werkloosheid in Nederland, en specifiek in Amsterdam, was extreem hoog. Veel mensen die buiten de boot vielen, probeerden als 'scharrelaar' of straatventer de kost te verdienen in wat de auteur "bedelnegotie" noemt.

De overheid probeerde deze informele economie te reguleren via een vergunningstelsel om de gevestigde middenstand te beschermen. Dit leidde tot een voortdurend spanningsveld tussen de noodzaak tot handhaving en de sociale realiteit van armoede. Het document illustreert de kloof tussen de papieren bureaucratie en de weerbarstige praktijk op de Amsterdamse straten in de jaren '30.

Samenvatting

In dit schrijven uit 1935 uit een ambtenaar van het Amsterdamse Marktwezen zijn frustratie over de ineffectiviteit van de toenmalige regelgeving omtrent straathandel. De kernpunten zijn:

  1. Gebrek aan handhaving: De verordening wordt als "zwak" ervaren, zowel door de ambtenaren als de politie. Juridische procedures (verbalen) worden vaak door de kantonrechter geseponeerd of nietig verklaard.
  2. Onvrede onder bonafide handelaren: Venters die wel netjes voor hun vergunning betalen (f 5,-), voelen zich benadeeld. Zij zien dat illegale handelaren ongestoord hun gang kunnen gaan, wat leidt tot een afname van het ontzag voor de controlerende instanties ("bombast").
  3. Sociale corruptie: De auteur merkt op dat er vaak een verstandhouding ("verband") is tussen de illegale verkoper en de klanten, waardoor controle bemoeilijkt wordt.
  4. Bestuurlijke paradox: Een saillant detail op pagina 2 is de observatie dat de dienst Maatschappelijk Hulpbetoon (de toenmalige sociale dienst) soms handgeld verstrekt aan mensen zonder vergunning om een handel te beginnen, terwijl diezelfde mensen vervolgens door het Marktwezen beboet of verwijderd worden.

Historische Context

Het document dateert uit december 1935, midden in de Grote Depressie. De werkloosheid in Nederland, en specifiek in Amsterdam, was extreem hoog. Veel mensen die buiten de boot vielen, probeerden als 'scharrelaar' of straatventer de kost te verdienen in wat de auteur "bedelnegotie" noemt.

De overheid probeerde deze informele economie te reguleren via een vergunningstelsel om de gevestigde middenstand te beschermen. Dit leidde tot een voortdurend spanningsveld tussen de noodzaak tot handhaving en de sociale realiteit van armoede. Het document illustreert de kloof tussen de papieren bureaucratie en de weerbarstige praktijk op de Amsterdamse straten in de jaren '30.

Locaties

Amsterdam.

Kooplieden in dit dossier 100

Fr. Kroes Waterlooplein ~~201~~ 207
K.G. Aardappelen Waterlooplein 201
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein
W. Fruithof Waterlooplein 711
W. Fruithof Waterlooplein 739
W. Fruithof Waterlooplein 715
A.C.M. Deurloo Waterlooplein 1920
A. Elzinga Waterlooplein 1933
A. F. Schermacher Waterlooplein 1926
V. Jr Waterlooplein 1922
A. Kieboom Waterlooplein 1924
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6