Afschrift van een officiële brief (getypt).
Origineel
Afschrift van een officiële brief (getypt). 6 februari 1940. F. van Meurs, Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen. De Burgemeester van Amsterdam. No.245 A.Z.1940 No.268 L.M.1939 AFSCHRIFT.
____________
GEMEENTE AMSTERDAM.
Amsterdam, 6 Februari 1940.
Uit de door den Dienst van het Marktwezen verstrekte gegevens, is mij gebleken, dat een bijzonder hoog percentage van in de wijk "Noord" aangetroffen ventende personen, zoogenaamd "vaste klanten" bedient. Dit percentage is, globaal genomen, meer dan 3 maal grooter, dan dat der andere wijken.
In verband met de in dit stadsgedeelte veel voorkomende neiging clandestien te willen venten, vraag ik mij af, of er door een meer intensieve contrôle in die wijk niet zou blijken, dat een aantal "bedieners van vaste klanten" in werkelijkheid vent en derhalve in het bezit eener ventvergunning behoort te zijn.
Inmiddels zijn er door den Directeur van het Marktwezen maatregelen genomen de contrôle op de naleving der Ventverordening aldaar te verscherpen.
Ik zal het echter zeer op prijs stellen, indien het - al dan niet in overleg met het Marktwezen - mogelijk ware, wanneer dergelijke maatregelen ook van Politiewege zouden worden genomen.
De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
w.g. F.van Meurs.
Aan den Heer Burgemeester. In deze brief kaart wethouder Van Meurs een specifiek probleem aan betreffende de straathandel (het venten) in Amsterdam-Noord. Uit cijfers van de Dienst van het Marktwezen blijkt dat er in dit stadsdeel opvallend veel straatverkopers zijn die beweren alleen aan "vaste klanten" te leveren. Dit is een belangrijke juridische nuance: wie enkel aan een vaste klantenkring levert, heeft in sommige gevallen geen ventvergunning nodig, terwijl iemand die willekeurige voorbijgangers op straat aanspreekt ("venten") dat wel moet hebben.
De wethouder vermoedt dat dit een smoos is om illegale (clandestiene) straathandel te maskeren. Het feit dat dit fenomeen in Noord drie keer vaker voorkomt dan elders, versterkt dit vermoeden. Hoewel de marktmeesters de controles al hebben opgevoerd, verzoekt de wethouder de burgemeester om ook de politie in te schakelen voor extra handhaving. De brief is gedateerd op 6 februari 1940, slechts drie maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het is een periode van economische onzekerheid en schaarste (de mobilisatie was al gaande), wat vaak leidde tot een toename van informele handel en clandestiene verkoop om het hoofd boven water te houden.
Amsterdam-Noord was in die tijd een uitgesproken arbeiderswijk met veel sociale woningbouw en industrie. In dergelijke wijken bloeide de informele economie vaak sterker dan in andere delen van de stad. De brief illustreert de bureaucratische omgang tussen verschillende gemeentelijke diensten (Marktwezen, de Wethouder en de Burgemeester als hoofd van de politie) om de openbare orde en de lokale verordeningen te handhaven in een tijd van sociale druk.