Handgeschreven ambtelijke brief/rapportage.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke brief/rapportage. 5 juli 1940. Waarschijnlijk een marktmeester of opzichter (ondertekend door A. Rhema/Thema). gevolg gegeven. Daar mij hier is gebleken dat
de zoon ook uitsluitend (met oog om) een tweede plaats
voor zijn Moeder los te krijgen, zoo heb ik hem de
laatste keer aangezegd, mij bewijzen te overleggen
dat hij zelfstandig koopman is, zoo niet hij ook niet
meer aan de loting mag deelnemen.
Inderdaad begrijp ik, dat zij graag hun
tweede plaats hadden gehouden, maar ik moet
woekeren met de plaatsruimte en nog 10 á 12
lotelingen zonder plaats wegsturen.
Meerdere met hen hebben ook geprobeerd
op een oneerlijke manier met gekende of
betaalde bij-lotelingen een tweede plaats machtig
te worden. In deze gevallen heb ik ze laten in-
stallen en de betrokkene ernstig gewaarschuwd,
wat nog dankbaar werd aanvaard.
Het lijkt mij dan ook zeer ongeplaatst, wat de
vrouw van O. Pisagor heeft gedaan en acht ik
een ernstige berisping op zijn plaats, temeer
daar met haar nogal wat hinder wordt
ondervonden. Zij kunnen het nu maar niet
begrijpen, dat zij geen meerdere rechten
hebben dan anderen, terwijl zij al zoo lang
en in alle weer en wind aanwezig zijn.
Aan den Heer Amsterdam
Inspecteur 5. 7. 1940.
v/h Marktewezen. [Handtekening: A. Rhema]
P.S. Het lijkt m.i. wel dienstig
de correspondentie van O. Pisagor
nº 30/25/2 M 10/3 1930.
nº 9071/2 M 4/1 1940.
nº 90/25/10 M 29/4 1940. dient op te slaan.
[Marginale aantekening rechtsonder:]
Oproepen
9 - 7 - '40
d'Heer De kern van dit schrijven betreft de schaarste aan standplaatsen op de Amsterdamse markten en de handhaving van de reglementen daaromtrent. De schrijver rapporteert over een specifieke casus waarbij een zoon probeert een extra standplaats voor zijn moeder te bemachtigen. De ambtenaar stelt de harde eis dat de zoon moet bewijzen een "zelfstandig koopman" te zijn om aan de loting te mogen deelnemen.
Er is sprake van een structureel probleem: er zijn 10 tot 12 gegadigden ("lotelingen") meer dan er plaatsen beschikbaar zijn. De schrijver meldt dat sommigen proberen via "oneerlijke manier" (het inzetten van stromannen of betaalde tussenpersonen) extra plaatsen te bemachtigen.
Specifieke verontwaardiging wordt geuit over het gedrag van de vrouw van een zekere O. Pisagor. Zij claimt blijkbaar privileges op basis van anciënniteit ("terwijl zij al zoo lang en in alle weer en wind aanwezig zijn"), een argument dat de ambtenaar verwerpt ten gunste van gelijke rechten voor alle marktkooplieden. Het P.S. verwijst naar een dossier dat teruggaat tot 1930, wat suggereert dat de familie Pisagor een bekende is bij de dienst. Dit document is geschreven op 5 juli 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratieve kwestie over marktplaatsen lijkt te behandelen, is de timing cruciaal. In deze periode begon de bezetter langzaam de grip op het openbare leven en de economie te verstevigen.
De strikte handhaving van regels en het "woekeren met ruimte" op markten was in Amsterdam vaak een bron van spanning. De naam "Pisagor" (mogelijk een verbastering of specifieke spelling) en de referentie naar dossiers uit 1930 wijzen op een langlopend conflict tussen marktkooplieden en de inspectie. De marginale aantekening "Oproepen" met de datum 9-7-'40 geeft aan dat de betrokkene daadwerkelijk op het matje moest komen bij de inspecteur naar aanleiding van deze rapportage.