Officiële brief/kennisgeving (doorslag).
Origineel
Officiële brief/kennisgeving (doorslag). 5 oktober 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). Extra
den Heer M. Grootkerk,
Nieuwe Kerkstraat 77 I,
Amsterdam-Centrum.
Wyk 10.
5 October 1940.
90/71/2 M
Naar aanleiding van Uw brief, ingekomen op 24 September
jl. bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor in-
williging in aanmerking kan komen. Indien U voortaan Uw plaats
op de markt Mosplein niet regelmatig bezet, zal deze plaats
worden ingetrokken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen
van het Reglement op de Markten.
De Directeur, De brief is een zakelijke en dwingende mededeling van de marktmeester of directeur van de marktdienst aan een individuele marktkoopman, de heer M. Grootkerk. De kern van de boodschap is tweeledig:
1. Een verzoek van Grootkerk (ingediend op 24 september 1940) wordt afgewezen. De aard van dit verzoek wordt niet expliciet genoemd, maar had waarschijnlijk betrekking op zijn staanplaats.
2. Er wordt een expliciete waarschuwing gegeven: als hij zijn plaats op de markt aan het Mosplein (Amsterdam-Noord) niet regelmatig bezet, zal zijn vergunning worden ingetrokken conform het marktreglement.
De toon is strikt bureaucratisch. De onderstreping van het woord "niet" benadrukt de onverbiddelijkheid van de beslissing. De datum van de brief, 5 oktober 1940, is cruciaal. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De geadresseerde, M. Grootkerk, woonde in de Nieuwe Kerkstraat, een straat in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt.
In deze periode begonnen de bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties de druk op de Joodse bevolking op te voeren, ook op economisch gebied. Veel Joodse Amsterdammers waren werkzaam in de ambulante handel (markthandel). Hoewel de volledige uitsluiting van Joden van openbare markten pas later in 1941 werd geformaliseerd (waarna zij alleen nog op specifieke "Joodse markten" mochten staan), laten documenten uit 1940 vaak al een verscherpte controle en een onwelwillende houding van instanties zien.
Het intrekken van marktvergunningen wegens "onregelmatig bezet houden" was een methode die gebruikt kon worden om handelaren hun broodwinning te ontnemen. Gezien de locatie van de markt (Mosplein) en het woonadres van de betrokkene, vormt dit document een klein maar veelzeggend onderdeel van de administratieve geschiedenis van de Jodenvervolging en de inperking van hun bewegingsvrijheid in Amsterdam. M. Grootkerk
Samenvatting
De brief is een zakelijke en dwingende mededeling van de marktmeester of directeur van de marktdienst aan een individuele marktkoopman, de heer M. Grootkerk. De kern van de boodschap is tweeledig:
1. Een verzoek van Grootkerk (ingediend op 24 september 1940) wordt afgewezen. De aard van dit verzoek wordt niet expliciet genoemd, maar had waarschijnlijk betrekking op zijn staanplaats.
2. Er wordt een expliciete waarschuwing gegeven: als hij zijn plaats op de markt aan het Mosplein (Amsterdam-Noord) niet regelmatig bezet, zal zijn vergunning worden ingetrokken conform het marktreglement.
De toon is strikt bureaucratisch. De onderstreping van het woord "niet" benadrukt de onverbiddelijkheid van de beslissing.
Historische Context
De datum van de brief, 5 oktober 1940, is cruciaal. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De geadresseerde, M. Grootkerk, woonde in de Nieuwe Kerkstraat, een straat in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt.
In deze periode begonnen de bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties de druk op de Joodse bevolking op te voeren, ook op economisch gebied. Veel Joodse Amsterdammers waren werkzaam in de ambulante handel (markthandel). Hoewel de volledige uitsluiting van Joden van openbare markten pas later in 1941 werd geformaliseerd (waarna zij alleen nog op specifieke "Joodse markten" mochten staan), laten documenten uit 1940 vaak al een verscherpte controle en een onwelwillende houding van instanties zien.
Het intrekken van marktvergunningen wegens "onregelmatig bezet houden" was een methode die gebruikt kon worden om handelaren hun broodwinning te ontnemen. Gezien de locatie van de markt (Mosplein) en het woonadres van de betrokkene, vormt dit document een klein maar veelzeggend onderdeel van de administratieve geschiedenis van de Jodenvervolging en de inperking van hun bewegingsvrijheid in Amsterdam.