Archief 745
Inventaris 745-343
Pagina 159
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Notulen/Verslag van een bespreking.

20 december 1940.

Origineel

Notulen/Verslag van een bespreking. 20 december 1940. Notities van een bespreking met vertegenwoordigers van den Groentenhandel en den Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening op Vrijdag 20 December 1940.

Aanwezig: van den Centralen Dienst: de Directeur de heer Smeets; van het Marktwezen: de waarnemend Direc-teur de heer C.F. Sixma en de bedrijfschef de heer J. Broerse; van den handel: de heeren Wijnschenk Sr., Van Bladeren, Dijkstra en Kramer.

Voorraadvorming Centrale Markt.

Reserveering van vatgroenten.

De heer Wijnschenk stelt de vraag, of rekening is gehouden met de enorme voorraden, die aanwezig zijn bij de winkeliers. Het is hem bijvoorbeeld bekend, dat de winkelier Lindeman 300 vaten vatgroenten ~~xxx~~ in voorraad heeft en de winkelier Looyen 150 vaten. In het algemeen kan men stellen, dat 80% der winkeliers (1000 winkeliers) ieder zeker 10 à 15 vaten vatgroenten heeft opgeslagen. Bovendien moet men de opslag bij particulieren, die vrij beduidend is, niet uit het oog verliezen.

De heer Kramer zegt, dat buiten hetgeen ~~xxx~~ thans reeds voor de Gemeente is gereserveerd (1100 vaten) nog bij de grossiers op de Centrale Markt aanwezig is: 398 vaten andijvie, 235 vaten spercieboonen, 258 vaten snijboonen, dat is dus totaal 891 vaten vatgroenten. De zuurkool staat hier nog geheel buiten; de aflevering door de fabrieken van dit artikel moet nog beginnen.

De heer Wijnschenk acht het gewenscht, dat een aantal vaten zuurkool wordt gereserveerd. Spreker deelt mede, dat de Deensche witte kool momenteel niet meer mag worden verwerkt. Men mag aannemen, dat hierdoor vermoedelijk reeds half Februari verschillende fabrieken van zuurkool zullen zijn uitverkocht. Van de aanwezige voorraad witte kool is 50% bestemd voor export, terwijl 50% in het binnenland moet worden verkocht. Hetgeen van de 50% voor het binnenland onverkoopbaar blijft, wordt later eveneens geexporteerd. De 50%, bestemd voor het binnenland, mag echter niet verwerkt worden tot zuurkool. Spreker acht dit zeer onbillijk, omdat tenslotte de zuurkool doch ook voor het binnenland bestemd is.

De heer Dijkstra wijst erop, dat Amsterdam zich niet mag vergelijken met Rotterdam, als het er om gaat welke voorraden deze twee steden hebben opgeslagen. Men moet immers niet vergeten, dat de winkeliers in Rotterdam vrijwel geen voorraad hebben kunnen aanleggen; ditzelfde geldt voor

(einde pagina) Dit document biedt een inkijk in de logistieke en economische spanningen rondom de voedselvoorziening in Nederland, slechts zeven maanden na het begin van de Duitse bezetting. De kern van de discussie draait om het spanningsveld tussen lokale voorraden bij winkeliers/particulieren en de centrale overheidsreserves.

Opvallend is de discussie over de "export" (waarbij in 1940 vrijwel zeker export naar Duitsland wordt bedoeld). Er is sprake van een strikte regelgeving: 50% van de witte kool moet in het binnenland verkocht worden, maar mag niet worden verwerkt tot zuurkool, een verbod dat de heer Wijnschenk "onbillijk" noemt. Dit duidt op bureaucratische beperkingen die de langdurige conservering van voedsel voor de eigen bevolking in de weg stonden.

Verder is de vermelding van de totale voorraden (bijv. 891 vaten bij grossiers) interessant voor kwantitatief onderzoek naar de voedselvoorraad in Amsterdam aan het begin van de winter van 1940-1941. In december 1940 was de schaarste in Nederland nog niet zo nijpend als later in de oorlog (zoals tijdens de Hongerwinter), maar het distributiestelsel was al wel in werking getreden. De overheid probeerde grip te krijgen op alle beschikbare voedselvoorraden om tekorten te voorkomen en tegelijkertijd te voldoen aan de eisen van de bezetter.

De opmerking van de heer Dijkstra over Rotterdam is historisch significant. Hij refereert aan het feit dat Rotterdam, door het bombardement van 14 mei 1940 en de daaropvolgende branden, een groot deel van haar opslagcapaciteit en voorraden was kwijtgeraakt. Amsterdam had deze infrastructuur nog wel, wat leidde tot een scheve verhouding in de beschikbare lokale voorraden tussen de twee grootste steden van het land. De heer Smeets (Directeur Centralen Dienst) de heer C.F. Sixma (waarnemend Directeur Marktwezen) de heer J. Broerse (bedrijfschef) de heren Wijnschenk Sr. Van Bladeren Dijkstra en Kramer (handel).

Samenvatting

Dit document biedt een inkijk in de logistieke en economische spanningen rondom de voedselvoorziening in Nederland, slechts zeven maanden na het begin van de Duitse bezetting. De kern van de discussie draait om het spanningsveld tussen lokale voorraden bij winkeliers/particulieren en de centrale overheidsreserves.

Opvallend is de discussie over de "export" (waarbij in 1940 vrijwel zeker export naar Duitsland wordt bedoeld). Er is sprake van een strikte regelgeving: 50% van de witte kool moet in het binnenland verkocht worden, maar mag niet worden verwerkt tot zuurkool, een verbod dat de heer Wijnschenk "onbillijk" noemt. Dit duidt op bureaucratische beperkingen die de langdurige conservering van voedsel voor de eigen bevolking in de weg stonden.

Verder is de vermelding van de totale voorraden (bijv. 891 vaten bij grossiers) interessant voor kwantitatief onderzoek naar de voedselvoorraad in Amsterdam aan het begin van de winter van 1940-1941.

Historische Context

In december 1940 was de schaarste in Nederland nog niet zo nijpend als later in de oorlog (zoals tijdens de Hongerwinter), maar het distributiestelsel was al wel in werking getreden. De overheid probeerde grip te krijgen op alle beschikbare voedselvoorraden om tekorten te voorkomen en tegelijkertijd te voldoen aan de eisen van de bezetter.

De opmerking van de heer Dijkstra over Rotterdam is historisch significant. Hij refereert aan het feit dat Rotterdam, door het bombardement van 14 mei 1940 en de daaropvolgende branden, een groot deel van haar opslagcapaciteit en voorraden was kwijtgeraakt. Amsterdam had deze infrastructuur nog wel, wat leidde tot een scheve verhouding in de beschikbare lokale voorraden tussen de twee grootste steden van het land.

Genoemde Personen 6

De heer Smeets (Directeur Centralen Dienst) de heer C.F. Sixma (waarnemend Directeur Marktwezen) de heer J. Broerse (bedrijfschef) de heren Wijnschenk Sr. Van Bladeren Dijkstra en Kramer (handel).

Locaties

Waarschijnlijk Amsterdam (gezien de referentie naar de Centrale Markt en de vergelijking met Rotterdam).

Ambtenaren

J. Broerse Bedrijfschef

Kooplieden in dit dossier 32

A 46 kg p. 100 stuks Nieuwmarkt niet opgenomen
Andijvie - vaten 40
B 38 kg p. 100 stuks
T.H. Roelofs 17.33
C 30 kg p. 100 stuks
E. Kool 600
E. Kool 600
I 20-25 cm ø Nieuwmarkt niet opgenomen
I A 16 à 20 kg p. 100 stuks 0,12 0,10 0,06
II 16-20 cm ø
KG Blikgroenten 64300
KG. Koolrapen 215300
Daniel Kool 250200
K.G. Savoie 353800
V. Tuien 270900
KG. Wortelen 413100
G.W.J. Bos idem
R. Kool 250.200
R. Kool 0,20 0,15 0,12
R. Kool 250.200
Salomon Kool 353.800
Salomon Kool 353.800
Salomon Kool Nieuwmarkt niet opgenomen
Boonen 30
Stuks groene " 600
A. Witte 0,30 0,20 0,12
W. Kool 7.000
Alle 32 kooplieden →