Afschrift van een brief.
Origineel
Afschrift van een brief. 5 maart 1941. Waarschijnlijk een rijksorgaan (gezien het adres Benoordenhoutscheweg 46 te Den Haag en de verwijzing naar "onzen Raad"). De Burgemeester van de Gemeente Amsterdam. [Stempel/Typewerk bovenin:]
Afschrift. No. 2008 P.B. 1941.
's-Gravenhage, 5 Maart 1941.
Benoordenhoutscheweg 46.
[Stempel midden-boven:]
№ 927 L.M. 1941 [handgeschreven:] 29/3
[handgeschreven krabbel:] Markhu.
Bericht op schrijven van:
Onderwerp: Vervroegd ouderdomspensioen.
Bijlagen: 1.
Het naar aanleiding van ons schrijven aan het College van Burgemeester en Wethouders Uwer gemeente van 22 December 1939 A.D.I.No.502. 11/14, betreffende de van 1 Januari 1940 af te volgen gedragslijn ter verzekering van het uitzicht op vervroegd ouderdomspensioen van personeel in dienst Uwer gemeente onder de hand gepleegd overleg heeft, zooals U bekend is, geleid tot een aantal besprekingen op het Gemeentelijk Pensioenbureau tusschen eenerzijds hoofdambtenaren van dat Bureau en van de verschillende gemeentelijke diensten en anderzijds een hoofdambtenaar van onzen Raad. Deze besprekingen hebben ons, dank zij de groote medewerking ondervonden van de zijde van Uwe ambtenaren, in staat gesteld ons over de geheele lijn een juist beeld te vormen omtrent aard en omvang van de werkzaamheden in de verschillende in dienst van Uwe gemeente vervuld wordende betrekkingen. Daarbij is ons in de eerste plaats gebleken, dat in een aantal gevallen onder anderen naam eene betrekking wordt bekleed, als bedoeld in artikel 49 der Pensioenwet 1922, juncto het Koninklijk besluit van 24 Maart 1923 (Staatsblad No.108), aan de vervulling waarvan alleen op grond van het verschil in benaming het uitzicht op vervroegd ouderdomspensioen niet of niet langer zou kunnen worden verbonden (groep I van bijgaande lijst). De noodzakelijkheid van eene letterlijke wetstoepassing, waarop wij in ons voormeld schrijven reeds wezen, belet ons om, zulks met terzijdestelling van de benaming, waaronder deze betrekkingen in Uwe gemeente worden vervuld, in die gevallen bedoeld uitzicht zonder meer te erkennen. Anderzijds hebben de besprekingen ons van overtuigd, dat het in die gevallen niet juist en in strijd met de bedoeling der geldende voorschriften zou zijn, aan de betrokken ambtenaren het uitzicht op vervroegd ouderdomspensioen te onthouden. Het is op dien grond, dat wij gezocht hebben naar eene oplossing, welke, met inachtneming van den bedoelden formeelen eisch ten aanzien van de titulatuur, in staat stelt in de daartoe leidende gevallen aan hen, die daarop naar 's-wetgevers bedoeling aanspraak kunnen maken, binnen de grenzen van de geldende voorschriften op grond van bij het ontslag bereikten of overschreden 55-jarigen leeftijd, pensioen toe te kennen. Deze oplossing hebben wij gemeend slechts te kunnen vinden in eene wijziging van de benaming van het ambt in dien zin, dat in de gevallen, waarin overneming van den titel genoemd in artikel 1 van voormeld Koninklijk besluit, niet zonder meer mogelijk is, zoowel de eene als de andere titel in de betrokken regelingen en (of) in de akten van aanstelling wordt vermeld en wel eerst die, welke in dat besluit voorkomt en daarna, tusschen haakjes, die welke bij Uwe gemeente gebruikelijk is. Wij hebben daarbij niet uit het oog verloren, dat bij dergelijke
[Stempel onderaan:]
№ 8B/10/1 M.1941 11/10
Aan den Heer Burgemeester der
Gemeente
A M S T E R D A M .
C.S. Stadhuis
A'dam 9-'41.
[Handgeschreven rechtsonder:] YB De kern van dit document is een administratief-juridische kwestie rondom de pensioenrechten van Amsterdamse gemeenteambtenaren. Er is een discrepantie geconstateerd tussen de functiebenamingen die de gemeente Amsterdam hanteert en de officiële titulatuur zoals vastgelegd in de landelijke Pensioenwet 1922 en een Koninklijk Besluit uit 1923.
Omdat de wet strikt moet worden toegepast ("letterlijke wetstoepassing"), dreigden ambtenaren wiens functienaam niet exact overeenkwam met de wettelijke term hun recht op vervroegd ouderdomspensioen (vanaf 55 jaar) te verliezen. De schrijvende instantie stelt echter dat dit indruist tegen de "bedoeling van de wetgever". Als pragmatische oplossing wordt voorgesteld om de officiële wettelijke titel te gebruiken in aanstellingsakten, met daarachter tussen haakjes de lokaal gebruikelijke functienaam. Zo wordt zowel aan de formele wettelijke eisen voldaan als aan de rechtvaardigheid jegens de werknemer. De brief is gedateerd op 5 maart 1941, wat betekent dat dit schrijven is opgesteld tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Desondanks vertoont de brief alle kenmerken van de voortzetting van de reguliere Nederlandse bureaucratie. Er wordt teruggegrepen op wetgeving uit de jaren '20 en de communicatie verloopt via de gebruikelijke hiërarchische lijnen tussen het landsbestuur (vanuit Den Haag) en het gemeentebestuur van Amsterdam.
Het adres Benoordenhoutscheweg 46 in Den Haag was destijds de zetel van de Raad van Toezicht op de Gemeentelijke Pensioenfondsen (of een gelieerd orgaan), wat de verwijzing naar "onzen Raad" in de tekst verklaart. De discussie over pensioenrechten toont aan dat, ondanks de oorlogsomstandigheden, de ambtelijke molens bleven draaien om complexe rechtspositionele zaken af te handelen.