Ambtelijke brief / Correspondentie.
Origineel
Ambtelijke brief / Correspondentie. 23 juli 1941. Den Heer Directeur van de Gemeentebelastingen, Heerengracht 196, Amsterdam-Centrum. W. Müller [handgeschreven]
M/HG.
10/10/8 M.
23 Juli 1941.
den Heer Directeur van de
Gemeentebelastingen,
Heerengracht 196,
Amsterdam-Centrum.
Met Uw schrijven van 15 Juli jl. deed U mij een afschrift toekomen van de aanschrijving van 3 Juli 1941 no.1 van het Departement van Financien betreffende toepassing van het besluit op de omzetbelasting 1940 ten aanzien van publiekrechtelijke lichamen.
In deze aanschrijving worden een aantal vergoedingen genoemd ten aanzien waarvan steeds omzetbelastingheffing dient plaats te vinden, ook al zou de dienst terzake van welken zij worden voldaan, op een plaatselijke belastingverordening berusten.
Afgaande op de omschrijving, die van deze vergoedingen in de bovenbedoelde aanschrijving wordt gegeven, rijst bij mij de vraag of van enkele door mijn dienst geheven belastingheffingen omzetbelasting verschuldigd is. Ik heb de eer U hieronder een opgave te verstrekken van deze heffingen aangevuld met mijn oordeel omtrent de al of niet verschuldigdheid van omzetbelasting voor deze vergoedingen en het zou mij aangenaam zijn Uw oordeel te mogen vernemen alvorens door mijn dienst aangifte wordt gedaan.
1e. Door de bedrijven van de Vischmarkt en de Centrale Markt wordt, krachtens de verordening op de heffing, steunende op artikel 275 der Gemeentewet, belasting geheven wegens het verleenen van toegang tot de marktterreinen. Alleen aan houders van door den directeur van het Marktwezen afgegeven legitimatiekaarten wordt toegang verleend. Aangezien deze legitimatiekaarten uitsluitend worden afgegeven aan personen, die op bovengenoemde markten hun bedrijf uitoefenen, kunnen deze vergoedingen (entreegelden) naar mijn oordeel niet gelijk gesteld worden met in de aanschrijving genoemde "vergoedingen terzake van het bezoeken van gemeentelijke musea, schouwburgen, ijsbanen, badinrichtingen, stadions, enz." Mijns inziens zal voor deze entreegelden geen omzetbelasting verschuldigd zijn.
2e. Op de Vischmarkt worden verder krachtens de verordening op de heffing steunende op artikel 275 van de Gemeentewet de na- In dit document raadpleegt een ambtenaar (vermoedelijk van de Amsterdamse marktdienst) de Directeur van de Gemeentebelastingen over de interpretatie van nieuwe belastingwetgeving. Het gaat specifiek over de vraag of de entreegelden die handelaren betalen voor toegang tot de Vischmarkt en de Centrale Markt onder de nieuwe 'omzetbelasting 1940' vallen.
De schrijver voert aan dat deze heffingen niet belast zouden moeten worden, omdat het geen algemeen publieke entreegelden zijn (zoals bij een museum of stadion), maar vergoedingen die uitsluitend betaald worden door beroepsbeoefenaren met een legitimatiebewijs. De brief getuigt van de administratieve complexiteit die nieuwe regelgeving met zich meebracht voor gemeentelijke diensten. De brief is geschreven in juli 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Het "Besluit op de Omzetbelasting 1940" was een ingrijpende wijziging van het belastingstelsel die kort na de inval werd ingevoerd. Hoewel de omzetbelasting al voor de oorlog bestond, werd de systematiek onder invloed van de bezetter verzwaard en veranderd (van een eenmalige naar een cascade-belasting).
Het adres Heerengracht 196 te Amsterdam was in die tijd inderdaad de zetel van de Gemeentebelastingen. De genoemde markten (de Centrale Markt aan de Jan van Galenstraat en de Vismarkt) waren essentiële knooppunten in de voedselvoorziening van de stad, die gedurende de bezettingsjaren steeds strikter werd gereguleerd.