Doorslag van een getypte brief (archiefkopie op dun papier).
Origineel
Doorslag van een getypte brief (archiefkopie op dun papier). 27 januari 1942. Directeur van de Gemeentetram, Stadhouderskade 1, Amsterdam-West. [Handgeschreven in blauwe inkt, rechtsboven:] In Müller
[Getypt/Gestempeld, rechtsboven:] HG.
[Handgeschreven in blauwe inkt, midden boven:] Verzonden 27/1
[Getypt:]
den Heer Directeur der
Gemeentetram,
Stadhouderskade 1,
Amsterdam-West.
Wijk 21.
10/37/3 M.41 27 Januari 1942.
Ten vervolge op mijn brief No.10/37/2 M. d.d. 16 Januari
1942 doe ik U bijgaand 3 vervallen tramkaartjes toekomen.
Het totaal te restitueeren bedrag wordt hierdoor verhoogd
tot f 37,50.
De Directeur, Deze brief is een formeel verzoek tot restitutie (terugbetaling) van tramkaartjes. De afzender stuurt drie vervallen kaartjes op als aanvulling op een eerdere zending van 16 januari 1942. Het totale bedrag van ƒ 37,50 is voor 1942 aanzienlijk; dit suggereert dat het niet gaat om enkele losse ritkaarten, maar waarschijnlijk om (maand)abonnementen of een verzameling kaarten van meerdere personen.
De brief is gericht aan de Gemeentetram (het huidige GVB), die destijds kantoor hield aan de Stadhouderskade 1. De handgeschreven notitie "Verzonden 27/1" bevestigt dat de brief op de dag van datering is uitgegaan. Het document is opgesteld in januari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De referentienummering (startend met 10/37) en de vermelding van "Wijk 21" zijn sterke aanwijzingen dat dit document afkomstig is uit de administratie van de Joodse Raad voor Amsterdam. De Joodse Raad was door de bezetter verantwoordelijk gesteld voor de organisatie van de Joodse gemeenschap en hanteerde een strikte wijkindeling voor de stad.
De context van de restitutie is wrang: in deze periode werden de rechten van Joodse Amsterdammers steeds verder ingeperkt. Vanaf 1941 en begin 1942 werden zij stelselmatig geweerd uit openbare voorzieningen, waaronder delen van het openbaar vervoer. Het terugvragen van geld voor ongebruikte tramkaarten was een van de vele administratieve handelingen die voortkwamen uit het feit dat Joden hun banen verloren of simpelweg niet meer mochten reizen. De bureaucratische zakelijkheid van de brief staat in scherp contrast met de toenemende terreur van de vervolging in diezelfde periode.
Samenvatting
Deze brief is een formeel verzoek tot restitutie (terugbetaling) van tramkaartjes. De afzender stuurt drie vervallen kaartjes op als aanvulling op een eerdere zending van 16 januari 1942. Het totale bedrag van ƒ 37,50 is voor 1942 aanzienlijk; dit suggereert dat het niet gaat om enkele losse ritkaarten, maar waarschijnlijk om (maand)abonnementen of een verzameling kaarten van meerdere personen.
De brief is gericht aan de Gemeentetram (het huidige GVB), die destijds kantoor hield aan de Stadhouderskade 1. De handgeschreven notitie "Verzonden 27/1" bevestigt dat de brief op de dag van datering is uitgegaan.
Historische Context
Het document is opgesteld in januari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De referentienummering (startend met 10/37) en de vermelding van "Wijk 21" zijn sterke aanwijzingen dat dit document afkomstig is uit de administratie van de Joodse Raad voor Amsterdam. De Joodse Raad was door de bezetter verantwoordelijk gesteld voor de organisatie van de Joodse gemeenschap en hanteerde een strikte wijkindeling voor de stad.
De context van de restitutie is wrang: in deze periode werden de rechten van Joodse Amsterdammers steeds verder ingeperkt. Vanaf 1941 en begin 1942 werden zij stelselmatig geweerd uit openbare voorzieningen, waaronder delen van het openbaar vervoer. Het terugvragen van geld voor ongebruikte tramkaarten was een van de vele administratieve handelingen die voortkwamen uit het feit dat Joden hun banen verloren of simpelweg niet meer mochten reizen. De bureaucratische zakelijkheid van de brief staat in scherp contrast met de toenemende terreur van de vervolging in diezelfde periode.