Getypte brief (doorslag), bladzijde 2.
Origineel
Getypte brief (doorslag), bladzijde 2. 31 januari 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen of een gelieerde gemeentelijke instantie). Bladz.2 van Brief No.17/2/2 M. d.d. 31 Januari 1941.
met algemeene stemmen vereenigen. De onderhavige 5 kooplie-
den genieten reeds sedert medio Mei 1940 volledige onder-
steuning en hebben dus gedurende ruim 8 maanden hun plaatsen
op de markt niet bezet. Ik verzoek U derhalve beleefd mij te
machtigen de plaatsen van deze kooplieden te weten S.Goedel,
M.Locher, J.v.d.Kar, P.J.de Vos en L.Winnik thans in te
trekken.
De Directeur, Dit fragment is de tweede pagina van een ambtelijke brief, geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De toon is zakelijk en bureaucratisch. De directeur van de betreffende dienst rapporteert dat vijf kooplieden hun marktplaatsen al meer dan acht maanden (sinds de capitulatie in mei 1940) niet hebben bezet. Als reden wordt opgegeven dat zij "volledige ondersteuning" (sociale bijstand) genieten.
Op basis van deze langdurige afwezigheid verzoekt de directeur om machtiging om hun marktplaatsen officieel in te trekken. De genoemde namen zijn: S. Goedel, M. Locher, J. v.d. Kar, P.J. de Vos en L. Winnik. De datum van het document (januari 1941) is cruciaal voor de historische duiding. Nederland was op dat moment ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De genoemde periode van afwezigheid ("sedert medio Mei 1940") markeert het begin van de bezetting.
Hoewel de brief een louter administratieve reden aanvoert (het niet bezetten van de standplaats en het ontvangen van steun), moet dit document gezien worden in het licht van de toenemende uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven. Namen als Goedel, Van de Kar en Winnik waren veelvoorkomend binnen de Joodse gemeenschap in Amsterdam en andere grote steden.
In deze periode werden Joodse marktkooplieden stelselmatig van de algemene markten verdreven door middel van administratieve maatregelen en verordeningen van de bezetter. Dit document is waarschijnlijk een voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van deze uitsluiting: door het intrekken van standplaatsen van kooplieden die (noodgedwongen) niet meer konden werken, werd de weg vrijgemaakt voor de verdere "ariërisering" van de openbare handelsruimte.
Samenvatting
Dit fragment is de tweede pagina van een ambtelijke brief, geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De toon is zakelijk en bureaucratisch. De directeur van de betreffende dienst rapporteert dat vijf kooplieden hun marktplaatsen al meer dan acht maanden (sinds de capitulatie in mei 1940) niet hebben bezet. Als reden wordt opgegeven dat zij "volledige ondersteuning" (sociale bijstand) genieten.
Op basis van deze langdurige afwezigheid verzoekt de directeur om machtiging om hun marktplaatsen officieel in te trekken. De genoemde namen zijn: S. Goedel, M. Locher, J. v.d. Kar, P.J. de Vos en L. Winnik.
Historische Context
De datum van het document (januari 1941) is cruciaal voor de historische duiding. Nederland was op dat moment ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De genoemde periode van afwezigheid ("sedert medio Mei 1940") markeert het begin van de bezetting.
Hoewel de brief een louter administratieve reden aanvoert (het niet bezetten van de standplaats en het ontvangen van steun), moet dit document gezien worden in het licht van de toenemende uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven. Namen als Goedel, Van de Kar en Winnik waren veelvoorkomend binnen de Joodse gemeenschap in Amsterdam en andere grote steden.
In deze periode werden Joodse marktkooplieden stelselmatig van de algemene markten verdreven door middel van administratieve maatregelen en verordeningen van de bezetter. Dit document is waarschijnlijk een voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van deze uitsluiting: door het intrekken van standplaatsen van kooplieden die (noodgedwongen) niet meer konden werken, werd de weg vrijgemaakt voor de verdere "ariërisering" van de openbare handelsruimte.