Ambtelijke brief/memo.
Origineel
Ambtelijke brief/memo. 4 april 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen/Marktdienst te Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). [Handgeschreven aantekening bovenaan: extra]
HG.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
17/2/5 M. 1 4 April 1941.
Toepassing artikel 11c
Reglement op de Markten.
Ten vervolge op mijn brief d.d. 26 November jl. (No.17/1/11
M.) heb ik de eer U in bijlage dezes een zeventiende opgave te doen
geworden van personen, die langer dan vier achtereenvolgende maanden
hun vaste plaats op de markten niet hebben bezet, op grond van het
feit, dat het hun wegens verleende ondersteuning niet was toegestaan
hun zaken te doen en voor wie ik voornemens ben artikel 11c van het
Reglement op de Markten toe te passen.
Ten aanzien van de op de onderhavige lijst voorkomende
personen is de gedragslijn gevolgd omschreven in mijn brief d.d. 8
Maart 1937 (No.17/5/1 M.), waaraan U, blijkens Uw apostille d.d. 10
April 1937 No.330 L.M.1936 wel Uw goedkeuring heeft willen hechten.
De Directeur, Dit document is een administratieve kennisgeving uit de periode van de Duitse bezetting in Nederland. De Directeur van de marktdienst rapporteert aan de wethouder over de "zeventiende opgave" van marktkooplieden die hun vaste standplaats dreigen te verliezen.
De kern van de zaak is de koppeling tussen sociale ondersteuning (steun) en het recht om handel te drijven. Volgens de toenmalige regels (met name artikel 11c van het Reglement op de Markten) mochten personen die financiële steun van de overheid ontvingen, geen zaken doen op de markt. Omdat zij hierdoor hun standplaats langer dan vier maanden onbezet lieten, trad een procedure in werking waarbij hun vaste plek kon worden ingetrokken. De brief verwijst naar een vastgestelde beleidslijn uit 1937, wat aantoont dat deze praktijk al voor de oorlog was ingezet tijdens de economische crisis. De brief dateert van april 1941, bijna een jaar na het begin van de bezetting. Hoewel de brief een puur ambtelijk karakter heeft over marktreglementen, weerspiegelt het de strenge sociale en economische controle van die tijd. In de jaren '30 en het begin van de jaren '40 was de regelgeving rondom "steuntrekking" zeer rigide: wie van de overheid afhankelijk was voor levensonderhoud, werd vaak elke vorm van eigen inkomsten verboden, inclusief ambulante handel.
Het feit dat dit de "zeventiende opgave" is, duidt op een grootschalig en systematisch proces waarbij arme marktkooplieden hun vergunningen verloren. In de bredere context van 1941 is het ook van belang dat in deze periode de uitsluiting van Joodse marktkooplieden in Amsterdam al in volle gang was (de 'Joodse markten' werden in 1941 ingesteld), hoewel deze specifieke brief zich richt op de algemene reglementering rondom steunverlening.