Officiële ambtelijke brief (correspondentie).
Origineel
Officiële ambtelijke brief (correspondentie). 26 mei 1941. [Linksboven, handgeschreven:]
Nº 373 M.S. 1941 29/5
[Stempel/Embleem: Wapen van Amsterdam met kroon en leeuwen]
Ja.SW.
[Gedrukte tekst:]
Verzoeke bij Uw antwoord datum en
nummer van dezen brief te vermelden
[Rechtsboven, deels handgeschreven op invullijnen:]
No. 352.
Lett. C.
div. Bijlagen
Amsterdam, 26 Mei 1941.
[Midden:]
Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun
Reguliersdwarsstraat 65-71 (Centrum)
Aan den Heer Wethouder voor den
Maatschappelijken Steun.
Raadhuis.O.Z.Voorburgwal 199.
ALHIER-C.
[Links in de kantlijn, handgeschreven aantekening:]
MichAm
[Paraaf]
[Inhoud:]
Naar aanleiding van Uw kantbeschikking
No.373.M.S.1941 dd. 12 April 1941 en onder
wederaanbieding van de mij daarbij toege-
zonden bescheiden, heb ik de eer U ingesloten
te doen toekomen een dezerzijds uitgebracht
rapport met adviezen betreffende de 24 koop-
lieden, omtrent wie U nader wenscht te worden
ingelicht.
DE DIRECTEUR VOOR MAATSCHAPPELIJKEN STEUN,
[Handtekening: Onleesbaar]
[Linksonder:]
No. 409 * Taalgebruik: De brief is opgesteld in het Nederlands met de toen gangbare spelling (bijv. "Maatschappelijken", "dezen", "wenscht"). De toon is uiterst formeel en ambtelijk ("heb ik de eer U [...] te doen toekomen").
* Structuur: Het betreft een standaard geleidebrief waarbij een rapport met adviezen wordt doorgeleid naar de verantwoordelijke wethouder. Er wordt expliciet verwezen naar een eerdere opdracht ("kantbeschikking") van 12 april 1941.
* Administratieve context: Het document getuigt van een strikte administratieve gang van zaken binnen de gemeente Amsterdam, waarbij dossiers nauwgezet werden genummerd en gearchiveerd. De handgeschreven initialen "MichAm" in de kantlijn duiden waarschijnlijk op een behandelend ambtenaar of een specifieke afdeling binnen het stadhuis. Dit document stamt uit mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun (BMS) was verantwoordelijk voor de armenzorg en sociale ondersteuning in Amsterdam.
De historische context van deze specifieke brief is beladen. In het voorjaar van 1941 intensiveerden de Duitse bezetter en de collaborerende overheid de maatregelen tegen de Joodse bevolking. De "24 kooplieden" waarover gerapporteerd wordt, kunnen in dit licht bezien worden. Tijdens de bezetting werden Joodse ondernemers en marktkooplieden onderworpen aan registratie en uitsluiting. De Maatschappelijke Steun werd in deze periode ook ingezet om te controleren wie nog recht had op steun, waarbij Joodse Amsterdammers steeds vaker werden afgezonderd van algemene voorzieningen. Dit document is derhalve een administratieve neerslag van de bureaucratische controle op individuele burgers tijdens de oorlogsjaren.