Brief (pagina 2).
Origineel
Brief (pagina 2). 27 februari 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen, Amsterdam). Bladz.2 van brief No.18/4/7 M. d.d. 27 Februari 1941.
Ten aanzien van de mij met Uw apostille d.d. 8 Janu-
ari jl. onder no.1007 L.M.1940 om advies gezonden aanvragen
heb ik de eer U mede te deelen, dat R.Franschman-van West
(no.5/120 L.M.1938); M.v.Emrik (no.5/160 L.M.1938); Z.Delden
(no.5/252 L.M.1938); J.Brilleman (no.5/186 L.M.1939) en
M.Zwaaf (no.5/52 L.M.1940) in de onderhavige indeeling zijn
opgenomen (zie bijlage I); P.Edel en J.Edel (no.5/247 L.M.
1938); J.Kok (no.5/37 L.M.1939) en V.Waas de Hond (no.5/244
L.M.1938) hebben voor een standplaats bedankt, terwijl de aan-
vrage van C.H.J.Tangkemper (no.5/50 L.M.1939) vermoedelijk
abusievelijk bij de onderhavige apostille is gevoegd, want
deze aanvrage heeft betrekking op de Jan Evertsenstraat.
Ten slotte breng ik onder Uw aandacht, dat aanvraag-
ster R.Franschman-van West (no.23) haar ventvergunning voor
het boekjaar 1940/1941 nog niet heeft verlengd; overigens heb-
ben de onderhavige aanvragers geen vent- of standplaatsschul-
den.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk schrijven uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland. Het betreft de administratieve afhandeling van markt- en ventvergunningen. In de brief rapporteert de directeur over de status van verschillende aanvragers:
* Toewijzing: Een vijftal personen is opgenomen in een nieuwe "indeeling" (indeling van marktplaatsen).
* Afwijzing door aanvrager: Vier personen hebben "bedankt" voor een standplaats (vrijwillig afgezien).
* Administratieve fout: De aanvraag van C.H.J. Tangkemper is per abuis toegevoegd, daar deze specifiek over de Jan Evertsenstraat gaat (mogelijk buiten de scope van deze specifieke indeling).
* Financiële status: De directeur merkt op dat er geen achterstallige schulden zijn voor de betreffende standplaatsen, alhoewel één aanvraagster haar vergunning nog niet heeft verlengd.
De namen in de lijst (zoals Franschman, Zwaaf, Brilleman, Waas de Hond) zijn veelvoorkomende Joodse achternamen in Amsterdam in die tijd. De datum van de brief, 27 februari 1941, is uiterst significant. Dit is slechts één dag na de beëindiging van de Februaristaking in Amsterdam, die was uitgebroken als protest tegen de Jodenvervolging.
In deze periode nam de druk op Joodse burgers en ondernemers snel toe. De bezetter begon met het systematisch registreren en uitsluiten van Joden uit het economische leven. Marktkooplieden werden hier direct door getroffen; kort na deze datum zouden Joodse marktkooplieden worden gedwongen naar aparte "Jodenmarkten" te verhuizen of werd hun vergunning geheel ingetrokken.
Dit document toont de "banaliteit" van de bureaucratie tijdens de bezetting: terwijl de stad nog natrilt van de staking en de gewelddadige Duitse reactie daarop, gaat de administratieve molen rondom vergunningen en standplaatsen gewoon door, waarbij namen worden genoteerd die spoedig uit het stadsbeeld zouden verdwijnen. De vermelding van de Jan Evertsenstraat plaatst de handeling specifiek in Amsterdam-West.