Getypte notulen van een vergadering (waarschijnlijk van een gemeentelijke commissie in Amsterdam).
Origineel
Getypte notulen van een vergadering (waarschijnlijk van een gemeentelijke commissie in Amsterdam). -3-
De Voorzitter wijst erop, dat de Wethouder reeds heeft bepaald, ten opzichte van de nog niet afgegeven ventvergunningen, dat deze beschikbaar blijven voor de aanvragers. Dit houdt volgens spreker tevens in, dat verzoeken als het onderhavige, ook niet aan een termijn moeten worden gebonden.
Verzoek van C.S. Kruyf om hem alsnog een ventvergunning te verleenen (om advies aan de Commissie gezonden onder No. 62/261 L.M.1937).
De Voorzitter deelt mede, dat Kruyf volgens een verklaring van een agent van politie heeft gevent tot het jaar 1932; daarna is hij in militairen dienst gegaan. Toen hij uit den dienst kwam, heeft hij eerst in de bouwvakken gewerkt, daarna heeft hij in de buitengemeenten gevent, omdat hij reeds vroeger voor een ventvergunning in Amsterdam is afgewezen. Het staat vast, dat Kruyf gedurende een drietal jaren van het venten te Amsterdam zijn beroep heeft gemaakt, doch niet in het jaar 1933.
De heer Neeter is van meening, dat adressant heeft getracht, een ander beroep te vinden; nu hem dit niet is gelukt, en vast staat dat hij van het venten te Amsterdam zijn beroep heeft gemaakt, heeft spreker geen bezwaar, dat Kruyf alsnog voor een ventvergunning in aanmerking komt, waarbij spreker er op wijst, dat het voor dezen jongeman van 26 jaar thans zeer moeilijk zal zijn om nog een ander vak te leeren.
De heer Seegers zou de zienswijze van den vorigen spreker kunnen onderschrijven, indien niet de toepassing van de Ventverordening had belet, dat andere jongelieden, die in 1933 nog geen 18 jaar waren, een ventvergunning verkregen, hoewel ook zij vaak jarenlang van het venten hun beroep hebben gemaakt. Spreker wijst erop, dat Kruyf in 1933 geen venter was en dus, op grond van de ten deze steeds gevolgde gedragslijn, niet in aanmerking voor een ventvergunning kan komen.
De heer Presser onderschrijft de meening van den heer Seegers.
De heer Van 't Hek wijst erop, dat Kruyf bovendien niet tijdig zijn aanvrage heeft ingediend, om welke reden ook reeds vele gegadigden zijn afgewezen. Dit document verslaat een bureaucratische discussie over de toewijzing van schaarse ventvergunningen in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De kern van het geschil draait om de strikte handhaving van de Ventverordening.
Er zijn twee kampen zichtbaar in de commissie:
1. Humanitaire/Praktische benadering (De heer Neeter): Hij pleit voor coulance omdat de 26-jarige Kruyf door de economische omstandigheden geen ander werk kan vinden en in het verleden al als venter actief was. Hij ziet de militaire dienst en werk in de bouw als verzachtende omstandigheden voor het feit dat Kruyf in 1933 niet ventte.
2. Strict-juridische/Beleidsmatige benadering (De heren Seegers, Presser en Van 't Hek): Zij houden vast aan de "gedragslijn". Omdat Kruyf in het referentiejaar 1933 niet actief was als venter (vanwege zijn dienstplicht), zou het toekennen van een vergunning rechtsongelijkheid creëren ten opzichte van anderen die om diezelfde reden zijn afgewezen. Ook het feit dat de aanvraag te laat is ingediend, wordt tegen hem gebruikt. De discussie vindt plaats tegen de achtergrond van de grote economische depressie van de jaren '30. Werkloosheid was hoog en voor velen was straathandel (venten) de enige manier om een inkomen te genereren. Om de overlast op straat te beperken en de concurrentie te reguleren, voerde de gemeente Amsterdam strikte verordeningen in.
Het jaar 1933 fungeerde blijkbaar als een peiljaar; wie toen niet geregistreerd stond als actieve venter, had in de jaren daarna grote moeite om een legale vergunning te bemachtigen. Dit document illustreert hoe individuele levenslopen (zoals een onderbreking voor militaire dienst) vermalen konden worden in de raderen van de gemeentelijke bureaucratie.