Archief 745
Inventaris 745-346
Pagina 459
Dossier 92
Jaar 1941
Stadsarchief

Typoscript (doorslag of origineel op schrijfmachine).

Origineel

Typoscript (doorslag of origineel op schrijfmachine). -3-

wanneer hij nu werkelijk gaat venten. Hoe dan te handelen
ten opzichte van andere kooplieden, indien die hun be-
dryf willen wijzigen? Een marktkoopman of een winkelier
zouden dan met evenveel recht een ventvergunning kunnen
vragen.
De Voorzitter merkt ten aanzien van het eerstgenoemde bezwaar op, dat
de Commissie uitdrukkelijk heeft bepaald, dat het bedienen
van vaste klanten is gelijk te stellen met venten. Alleen
op grond daarvan bestaat in dit geval recht op een vent-
vergunning, zooals ze steeds in dergelijke gevallen werd
verleend.
De heer Seegers is van oordeel, dat het recht op een ventvergunning
alleen kan worden ontleend aan het feit of betrokkene in
1933 van het venten te Amsterdam zijn beroep maakte.
Spreker beschouwt De Waal ook wel als venter; voelt er
echter niet voor, steeds op dergelijke afzonderlijke
aanvragen van vaste klantenbedieners gunstig te adviseeren.
Al deze venters behooren een ventvergunning te hebben.
De Voorzitter antwoordt hierop, dat het niet mogelijk is de vaste wijk-
loopers te verplichten zich een ventvergunning te ver-
schaffen.
De Secretaris memoreert, dat indertijd door den kantonrechter is uitge-
maakt, dat het bedienen van vaste klanten niet gelijk te
stellen is met venten,
De heer Seegers vindt, dat het Gemeentebestuur, dat De Waal in 1933
blijkbaar niet als venter beschouwde, hem thans bezwaar-
lijk als zoodanig kan aanmerken.
De Secretaris herinnert spreker aan het standpunt, dat hij vroeger in
dergelijke gevallen innam en aan het advies, dat de Com-
missie toen placht te geven. Spreker verwijst o.a.
naar de gevallen F.H.v.d.Meulen en T.Bart, behandeld in
de 50ste vergadering d.d. 8 Februari 1937.
De heer Seegers kan zich persoonlijk wel vereenigen met verleening dezer
vergunning, maar alleen op grond van de overweging,dat De Waal
moet geacht worden in 1933 venter te zijn geweest.
De Voorzitter wijst erop, dat het standpunt van den heer Seegers door
de Commissie in dergelijke gevallen steeds is ingenomen.
De heer Presser handhaaft zijn meening, dat De Waal niet voor een vent-
vergunning annaanmerking behoort te komen. De vaste
klantenbedieners wilden destijds zelf zich niet als ven-
ter beschouwd zien en hebben door oppositie te voeren
weten te bereiken, dat ze buiten de ventverordening vielen.
Spreker is er tegen nu dergelijken menschen een ventver-
gunning te geven, indien ze hun bedrijf willen wijzigen,
door te gaan venten. De kern van de discussie op deze pagina draait om de definitie van 'venten' versus het 'bedienen van vaste klanten' (wijkloopers). Er wordt gedebatteerd of een persoon genaamd De Waal recht heeft op een ventvergunning op basis van zijn werkzaamheden in 1933.

Er zijn drie duidelijke standpunten zichtbaar:
1. De Voorzitter: Stelt dat het bedienen van vaste klanten gelijkgesteld moet worden aan venten, wat recht geeft op een vergunning, zoals gebruikelijk in de praktijk van de commissie.
2. De heer Seegers: Is voorzichtiger. Hij vindt dat de status in 1933 doorslaggevend is. Hij wil geen precedent scheppen voor alle wijkloopers, maar is bereid De Waal als uitzondering te zien als men aanneemt dat hij in 1933 feitelijk al venter was.
3. De heer Presser: Is principieel tegen. Hij herinnert de commissie eraan dat wijkloopers in het verleden juist actie hebben gevoerd om niet als venter te worden aangemerkt (om zo buiten de beperkende ventverordening te blijven). Hij vindt het inconsequent dat zij nu, wanneer het hen uitkomt om hun bedrijfsvoering te wijzigen, wel aanspraak willen maken op die status. Dit document biedt inzicht in de strikte regulering van de straathandel in Amsterdam tijdens het interbellum (de periode tussen de wereldoorlogen). In een tijd van economische schaarste was de verdeling van ventvergunningen een zaak van groot belang om de concurrentie tussen winkeliers, marktkooplui en straatventers te beheersen.

De tekst refereert aan de 'ventverordening'. Het juridische getouwtrek over definities (wanneer is iemand een 'venter' en wanneer een 'wijklooper'?) toont aan hoe de overheid grip probeerde te krijgen op de informele economie. De verwijzing naar een uitspraak van de kantonrechter en eerdere vergaderingen uit 1937 wijst op een uitgebreide administratieve en juridische praktijk rondom deze vergunningen. Daarnaast valt het gebruik van de archaïsche naamvallen ("den kantonrechter") en spelling ("zoodanig", "vereenigen") op, typerend voor de officiële taal van die tijd.

Samenvatting

De kern van de discussie op deze pagina draait om de definitie van 'venten' versus het 'bedienen van vaste klanten' (wijkloopers). Er wordt gedebatteerd of een persoon genaamd De Waal recht heeft op een ventvergunning op basis van zijn werkzaamheden in 1933.

Er zijn drie duidelijke standpunten zichtbaar:
1. De Voorzitter: Stelt dat het bedienen van vaste klanten gelijkgesteld moet worden aan venten, wat recht geeft op een vergunning, zoals gebruikelijk in de praktijk van de commissie.
2. De heer Seegers: Is voorzichtiger. Hij vindt dat de status in 1933 doorslaggevend is. Hij wil geen precedent scheppen voor alle wijkloopers, maar is bereid De Waal als uitzondering te zien als men aanneemt dat hij in 1933 feitelijk al venter was.
3. De heer Presser: Is principieel tegen. Hij herinnert de commissie eraan dat wijkloopers in het verleden juist actie hebben gevoerd om niet als venter te worden aangemerkt (om zo buiten de beperkende ventverordening te blijven). Hij vindt het inconsequent dat zij nu, wanneer het hen uitkomt om hun bedrijfsvoering te wijzigen, wel aanspraak willen maken op die status.

Historische Context

Dit document biedt inzicht in de strikte regulering van de straathandel in Amsterdam tijdens het interbellum (de periode tussen de wereldoorlogen). In een tijd van economische schaarste was de verdeling van ventvergunningen een zaak van groot belang om de concurrentie tussen winkeliers, marktkooplui en straatventers te beheersen.

De tekst refereert aan de 'ventverordening'. Het juridische getouwtrek over definities (wanneer is iemand een 'venter' en wanneer een 'wijklooper'?) toont aan hoe de overheid grip probeerde te krijgen op de informele economie. De verwijzing naar een uitspraak van de kantonrechter en eerdere vergaderingen uit 1937 wijst op een uitgebreide administratieve en juridische praktijk rondom deze vergunningen. Daarnaast valt het gebruik van de archaïsche naamvallen ("den kantonrechter") en spelling ("zoodanig", "vereenigen") op, typerend voor de officiële taal van die tijd.

Kooplieden in dit dossier 78

A. Bouwmeester Uilenburg idem
A. Bouwmeester Uilenburg idem
A. Hagenaar Zwanenburgwal ziet geen kans momenteel zijn brood op de markt te verdienen
Aäron van Praag Uilenburg blijft voorloopig in steun
Bijdrage voor het luchtbeschermingsongevallenfonds
C. Heilbron meerdere Kan voorloopig plaats niet innemen. Geen handel.
C. Heilbron meerdere Kan voorloopplaats niet innemen. Geen handel. *34 Amb*
C.H. Roelofs Uilenburg idem
C. van Kampen Uilenburg idem
v. Kampen Uilenburg idem
D.A. Overmars Waterlooplein idem
D.A. Overmars Waterlooplein idem *11/6 - Amb 95*
E. Gokkes Uilenburg idem
E. Gokkes Uilenburg idem
E. Korthoef Uilenburg idem
G.A. Mol Uilenburg idem
G.C. Borgman Nieuwmarkt idem
G.C. Borgman Nieuwmarkt idem *P.D. 35*
G.H. Tap Uilenburg idem
G.H. Tap Uilenburg idem
G.S. Tonglet Waterlooplein idem
H.H. Passchier meerdere Blijft in steun.
H.H. Passchier meerdere Blijft in steun. *35 Amb*
H. Schouten Waterlooplein idem
H. Schouten Waterlooplein idem
B.H. Bluhm Uilenburg idem
I.B.H. Bluhm *onb* Uilenburg idem *25/1-68. Wanth. b. 78 I*
J.C. Serrarens Uilenburg idem
J.C. Serrarens Uilenburg idem
Alle 78 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 1