Getypt afschrift van een officieel politierapport/advies met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypt afschrift van een officieel politierapport/advies met handgeschreven kanttekeningen. No.39/92/2 M.1939 No.5/186 L.M. 1939. AFSCHRIFT.
Dict.Ga/Mi.
Lr.S.No.3719/1939.
Dossier U.l.a.
Groep B.
Adressant, Jacob Brilleman, geboren te Amsterdam, 23 Maart 1912,
venter, wonende Iepenplein 17 III, vraagt vergunning tot het in-
nemen van een vaste standplaats met een stellage of mand (groot
1.50 x 1 meter) ten verkoop van bloemen, op den openbaren weg,
het verhoogde voetpad van de Camperstraat, nabij de Ruyschstraat,
tegenover de grensscheiding van de perceelen Camperstraat 34-36,
om daarvan, aanvangende te 8 uur des vóórmiddags, dagelijks,
behalve des Zondags, gebruik te maken gedurende de tijden, waarop
het venten met genoemd artikel, volgens de Verordening op de
Winkelsluiting is toegestaan.
In verband met eventueele uitvaardiging van een ventverbod voor
de Camperstraat, den Iepenweg en naaste omgeving en eventueele
aanwijzing van het Iepenplein tot tijdelijke hulpmarkt (vide de
stukken Lr.S.no.22216/1937 - 1668 A.Z.1937), wordt het dezerzijds
ongewenscht geacht om voor het gevraagde punt standplaatsvergun-
ning, als bedoeld, te verleenen.
Daargelaten of andere bedenkingen bestaan, moge ik mitsdien tot
afwijzing van de aanvraagd adviseeren.
Amsterdam, 14 April 1939.
De Hoofdcommissaris van Politie,
namens dezen de Commissaris van
politie, toegevoegd voor de
administratie,
w.g. H.Holsbergen.
[Handgeschreven tekst in rood kader onderaan:]
J. Brilleman, Blasiusstraat 66 II;
Ventverg. Serie 4-55, verlengd op
30 Mei 1939, geldig voor consumptie-ijs
in Oost.
Geen oude schuld.
19/8-'39 [paraf] Dit document betreft een ambtelijk advies van de Amsterdamse politie over een vergunningsaanvraag van Jacob Brilleman. Hij verzoekt om een vaste plek op de Camperstraat om bloemen te verkopen vanuit een mand of stellage.
De politie adviseert de aanvraag af te wijzen. De voornaamste redenen zijn van stedenbouwkundige en regelgevende aard: er is een breed "ventverbod" in voorbereiding voor die specifieke buurt, en het nabijgelegen Iepenplein staat op de nominatie om als "hulpmarkt" te worden aangewezen. Men wil daarom op dat moment geen nieuwe, vaste rechten verlenen aan individuele straathandelaren op de openbare weg in die directe omgeving.
De handgeschreven aantekening onderaan (gedateerd augustus 1939) toont aan dat Jacob Brilleman inmiddels op een ander adres woonde (Blasiusstraat) en wel een actieve vergunning had voor het venten van consumptie-ijs in stadsdeel Oost. De opmerking "geen oude schuld" wijst erop dat hij netjes aan zijn financiële verplichtingen (leges) tegenover de gemeente voldeed. Het document biedt een inkijkje in de strikte regulering van de straathandel in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. In wijken als de Oosterparkbuurt was straathandel een cruciale bron van inkomsten voor veel inwoners, met name binnen de Joodse gemeenschap.
Jacob Brilleman (1912) was inderdaad een Joodse marktkoopman/venter. Uit historische bronnen (zoals het Stadsarchief Amsterdam en het Joods Monument) blijkt dat hij en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd; Jacob werd in juli 1943 vermoord in Sobibor. Dergelijke administratieve documenten zijn vaak de laatste sporen van de dagelijkse, legale strijd die deze mensen voerden om in hun levensonderhoud te voorzien voordat de bezetting hun rechten volledig ontnam.