Ambtsbrief / Ambtelijk advies.
Origineel
Ambtsbrief / Ambtelijk advies. 19 mei 1939. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, zoals Marktwezen of Publieke Werken). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (ter plaatse). Extra
VP/G.
39/92/5 M
1
19 Mei 1939.
Aanvraag standplaatsvergunning
ten name van M. van Emrik.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d.28
April jl. om advies ontvangen stuk no.5/160 L.M.1939 heb ik
de eer U te berichten, dat in de omgeving van het punt, waar
adressante een standplaats verlangt, verscheidene venters
plegen samen te komen. Het ware myns inziens minder juist,
om aan adressante thans een voorkeur boven de andere venters
te verleenen, terwyl bovendien de belangen van het verkeer
in deze buurt niet door uitreiking van een vaste standplaats
zouden worden gediend. Ik geef U mitsdien beleefd in overwe-
ging op het onderhavige verzoek afwyzend te beschikken.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk advies aan een wethouder betreffende een aanvraag voor een vaste standplaats op de openbare weg. De directeur van de betreffende dienst adviseert negatief ("afwyzend te beschikken") op het verzoek van mevrouw (adressante) M. van Emrik.
De argumentatie voor de afwijzing is tweeledig:
1. Gelijkheid/Concurrentie: Op de gewenste locatie komen al veel "venters" (straatverkopers zonder vaste plek) samen. Het toekennen van een vaste standplaats aan één persoon zou een oneerlijke bevoordeling (voorkeur) zijn ten opzichte van de anderen.
2. Verkeersbelang: Een vaste standplaats op die specifieke plek zou de doorstroming of veiligheid van het verkeer hinderen.
De brief is opgesteld in de formele ambtelijke stijl van de jaren '30, herkenbaar aan formuleringen als "heb ik de eer U te berichten" en het gebruik van de 'y' in woorden als "myns", "terwyl" en "afwyzend". De brief dateert van mei 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In die tijd was straathandel een belangrijke bron van inkomsten voor de minder bedeelden, maar de overheid probeerde dit steeds meer te reguleren om de openbare orde en het groeiende verkeer in de steden te beheersen.
De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een functie die in grote steden (zoals Amsterdam) bestond om toezicht te houden op de voedselvoorziening en markten. Dat de aanvrager als "adressante" wordt aangeduid, bevestigt dat het om een vrouw gaat (M. van Emrik). Het document geeft een inkijkje in de strikte bureaucratische processen rondom kleinschalige economische activiteiten in de vooroorlogse stad.