Dienstbrief / Ambbtelijke correspondentie.
Origineel
Dienstbrief / Ambbtelijke correspondentie. 7 juni 1940. Politie te Amsterdam, 7e Sectie, 1e Afdeling (Bureau Linnaeusstraat 121, Amsterdam Oost). Den Heer Directeur van het Marktwezen te Amsterdam. POLITIE TE AMSTERDAM
7e Sectie 1e Afd.
Lr. C. No. 899
N^o 18 / 2 / 2M. 1940 40/6
AMSTERDAM, 7 Juni 1940.
( Oost )
Bureau Linnaeusstraat 121.
Verzoeke bij beantwoording datum, letter en nummer van dit schrijven aan te halen.
BIJLAGE 1 situatieteekening.
ONDERWERP:
Venters in Camperstr.
en omgeving.
Naar aanleiding van het onderhoud dat een mijner Inspecteurs eenigen tijd geleden met den heer Van Praag van uw Dienst had en de voorstellen Uwerzijds, welke bij die gelegenheid te berde zijn gebracht ten aanzien van het vraagstuk van de venters in de Camperstraat en omgeving, bericht ik U dat ik mij met het voorstel om aan enkele venters toch nog een standplaats in de Camperstraat of daarop uitkomende zijstraten te verleenen (aangeduid op bijgaande situatieteekening) niet kan vereenigen.
Ik beschouw dit als een lapmiddel, dat het daar ter plaatse drukke verkeer en de absolute rust bij het aldaar gevestigde ziekenhuis niet gedoogt. Ik handhaaf in deze mijn oude zienswijze en dring er op aan deze op niet te langen termijn door te voeren, dat alleen het Iepenplein als hulpmarkt voor bedoelde clandestiene standplaatshouders wordt aangewezen. Ik acht dit plein daarvoor uitermate geschikt.
De Commissaris van Politie,
[Signatuur: E.J. Voûte]
Aan
den Heer Directeur
van het Marktwezen
te Amsterdam.
D 2000-10-12-38 * Toon en taalgebruik: De brief is geschreven in een zakelijke, directieve en formele stijl, typerend voor de Nederlandse bureaucratie in de jaren 40. De Commissaris gebruikt krachtige termen zoals "lapmiddel", "niet gedoogt" en "handhaaf mijn oude zienswijze" om zijn ongenoegen over het eerdere voorstel van het Marktwezen te uiten.
* Inhoud: Het conflict draait om de locatie van straathandelaren (venters) in de buurt van de Camperstraat. Het Marktwezen wilde hen daar (deels) behouden, maar de politie verzet zich hiertegen.
* Argumentatie: De politiecommissaris voert twee hoofdredenen aan voor zijn weigering:
1. Verkeershinder: De Camperstraat is te druk.
2. Overlast: De noodzakelijke "absolute rust" voor het nabijgelegen ziekenhuis (het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, OLVG).
* Oplossing: De commissaris dringt aan op een rigoureuze oplossing: het verplaatsen van de zogenaamde "clandestiene standplaatshouders" naar het nabijgelegen Iepenplein, dat hij als "hulpmarkt" wil aanwijzen.
* Ondertekening: De brief is ondertekend door de Commissaris van Politie. De signatuur is van Edward John Voûte, die kort na deze datum (in 1941) door de bezetter zou worden aangesteld als regeringscommissaris (burgemeester) van Amsterdam. * Historische periode: De brief is gedateerd op 7 juni 1940, minder dan een maand na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland (15 mei 1940). Hoewel het dagelijks bestuur en de politie nog functioneren volgens Nederlandse protocollen, bevindt het land zich in de vroege fase van de bezetting.
* Lokale situatie: De Camperstraat in Amsterdam-Oost was (en is) een vitale ader voor de buurt, direct grenzend aan het Oosterpark en het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. De handel op straat was in die tijd een bron van levensonderhoud voor velen, maar ook een punt van frictie tussen de overheid (ordening) en de bewoners (levendigheid/overlast).
* Terminologie: De term "clandestiene standplaatshouders" suggereert dat er veel informele handel plaatsvond die niet officieel gereguleerd was door het Marktwezen, mogelijk versterkt door de onzekere economische tijden aan het begin van de oorlog.