Officieel schrijven / Afschrift (politierapport/brief).
Origineel
Officieel schrijven / Afschrift (politierapport/brief). 31 oktober 1940. No.18/2/3 M.1940 AFSCHRIFT.
No.1441 A.Z.1940 No.1007 L.M.1940
HOOFDBUREAU VAN POLITIE TE AMSTERDAM.
Amsterdam, 31 October 1940.
Dict.Ga/Mi.
Lr.S.No.16320/1940.
Dossier V.6.a.
Groep B.
Ik heb de eer UEdelAchtbare het volgende te berichten:
Eén dezer dagen gewerd mij een schrijven van den Commissaris van Politie in de 7e Sectie, alhier, betreffende eventueele uitvaardiging van een ventverbod voor de Camperstraat en naaste omgeving en den daarmede samenhangenden, ten aanzien van de zich aldaar ophoudende venters te treffen maatregel.
In dit schrijven wordt naar voren gebracht, dat genoemde Sectie-chef zich, met het oog op het ter plaatse drukke verkeer en het belang van het in de nabijheid gevestigde ziekenhuis bij een zoo groot mogelijke rust in de naaste omgeving, niet kan vereenigen met een oplossing, om enkele venters toch nog een standplaats in de Camperstraat of in daarop uitkomende zijstraten te doen innemen; in verband waarmede dan ook in overweging wordt gegeven, dezen kooplieden alleen het Iepenplein als verkoopgelegenheid aan te wijzen.
Aan bedoeld ambtsbericht wordt verder het volgende ontleend:
"De klachten van den Directeur van het Onze Lieve Vrouw-Gasthuis over hinder voor patiënten, houden aan en aan den rommel, die in de Camperstraat en omgeving heerscht, blijft iedereen zich ergeren, niet het minst de daar gevestigde winkeliers, die er tevens door worden geschaad.
Voldoende politietoezicht kan er, door gebrek aan personeel, niet steeds worden gehouden.
Ik kan niet inzien, dat de belangen der venters worden geschaad, indien zij te midden van een volkrijke buurt en vlak bij de plaatsen, waar zij nu standplaats plegen te kiezen, hun waren te koop stellen. Het Iepenplein wordt hierdoor een hulpmarkt, die naar mijn stellige overtuiging bij de bevolking spoedig in trek zal komen, en afdoende een einde zal maken aan wantoestanden, waarop ik, met den Directeur van het Onze Lieve Vrouwe-Gasthuis en anderen, nu al de laatste zes jaar bij herhaling de aandacht heb gevestigd.
Ik moge U verzoeken wel te willen bevorderen, dat een oplossing in vorenbedoelden zin op korten termijn tot stand komt."
Meerbedoeld ambtsbericht vindt o.a. zijn oorzaak in het voorbereidende onderzoek, hetwelk van de zijde van het Marktwezen, in overleg met de Politie, ten behoeve van een eventueele oplossing van de onderhavige kwestie is ingesteld.
Overigens hadden op deze aangelegenheid mede betrekking mijn brieven van 15 Februari 1938, no.22216 S.1937, Dossier M.2.a./V.6.a. (no.1668 A.Z.1937) en 30 Mei 1938, no.7243 S/.1938, Dossier V.6.a. (no.742 A.Z.1938), terwijl zij eveneens werd behandeld in de 58e, 72e en 73e vergadering van de Permanente Commissie van Advies inzake ventvergunningen, onderscheidenlijk gehouden op 21 Dit document betreft een beleidsadvies van de Amsterdamse politie aan (vermoedelijk) de Burgemeester (geadresseerd als "UEdelAchtbare"). De kern van het probleem is de overlast die straatventers veroorzaken in de Camperstraat, direct gelegen naast het Onze Lieve Vrouwe-Gasthuis (OLVG).
De argumenten voor een ventverbod zijn drieledig:
1. Gezondheidszorg: De noodzaak van rust voor de patiënten in het ziekenhuis.
2. Openbare orde en hygiëne: Klachten over "rommel" en verkeersdrukte.
3. Handhaving: De politie geeft expliciet aan onvoldoende personeel te hebben om constant toezicht te houden.
Als oplossing wordt voorgesteld om de venters te verplaatsen naar het nabijgelegen Iepenplein, dat als "hulpmarkt" moet gaan fungeren. Het document onthult dat dit een slepende kwestie is die al zeker zes jaar (sinds ca. 1934) de aandacht vraagt en waarover al meermaals is gecorrespondeerd. Hoewel het document gedateerd is op 31 oktober 1940 — ruim vijf maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland — weerspiegelt de inhoud primair de lokale Amsterdamse gemeentelijke problematiek. Het toont de spanning aan tussen de informele straathandel (venters), die essentieel was voor de voedselvoorziening en economie van de volksbuurten in Amsterdam-Oost, en de moderniserende behoefte aan rust, hygiëne en verkeersdoorstroming rondom publieke instellingen zoals ziekenhuizen.
De vermelding van "gebrek aan personeel" bij de politie kan een indirect gevolg zijn van de nieuwe omstandigheden onder de bezetting, waarbij de politiecapaciteit elders werd ingezet, al werd de kwestie zelf al jaren vóór de oorlog besproken. De herinrichting van de openbare ruimte en het reguleren van marktkramen en venters was een doorlopend proces in de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam in de 20e eeuw.