Getypte brief (afschrift).
Origineel
Getypte brief (afschrift). 21 april 1941. J. Franschman, wonende aan de Nieuwe Achtergracht 4 III te Amsterdam. Het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. No.18/4/9 M.1941 26/4 AFSCHRIFT. No.5/84 L.M.1941.
Amsterdam, 21 April 1941.
Aan het College van Burgemeester
en Wethouders
Amsterdam.
Edelachtbare Heeren,
Ondergetekende, J. Franschman, Nwe. Achtergracht 4 III heeft de eer zich met een schrijven tot U te wenden met het verzoek hem alsnog vergunning te verleenen tot het innemen eener vaste standplaats met een handkar ten verkoop van zuurwaren op den openbaren weg, den rijweg van de Blasiusstraat, evenwijdig aan en tegen het verhoogde voetpad vóór perceel Blasiusstraat 133 op ten minste 8 meter afstand van de Camperstraat.
Adressant geeft hierbij te kennen, dat hij tijdens de contrôle, die toentertijd gehouden werd voor het in aanmerking komen van een vaste standplaats, niet aanwezig was, aangezien zijn aanvrage van voorheen altijd luidde van des middags twee uur, terwijl bovenbedoelde contrôle waarschijnlijk vóór twee uur is geweest. Ik heb vernomen, dat een andere venter in zuurwaren, aanvrage voor dezelfde plaats heeft gedaan. Daar ik oudere rechten hierop heb, zoo verzoek ik U beleefd doch dringend mij de gevraagde vergunning te verleenen.
Hoogachtend,
w.g. J. Franschman. In deze brief verzoekt J. Franschman het Amsterdamse stadsbestuur om een vergunning voor een vaste standplaats voor zijn zuurkar. Hij specificeert een zeer nauwkeurige locatie: in de Blasiusstraat voor nummer 133, nabij de Camperstraat.
De kern van zijn betoog is dat hij een eerdere controle door de gemeente heeft gemist. Deze controle was bedoeld om vast te stellen wie er daadwerkelijk standplaatsen innamen. Franschman legt uit dat hij er niet was omdat de controle vóór 14:00 uur plaatsvond, terwijl zijn gebruikelijke werktijden (zoals vermeld in eerdere aanvragen) pas om 14:00 uur begonnen. Hij maakt zich zorgen omdat een concurrent inmiddels ook een aanvraag voor die specifieke plek heeft ingediend. Franschman beroept zich op zijn "oudere rechten" (het feit dat hij daar al langer stond) om de vergunning alsnog te verkrijgen. Dit document stamt uit april 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context is cruciaal:
1. Locatie en Identiteit: De afzender, J. Franschman, woonde aan de Nieuwe Achtergracht, in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. De verkoop van "zuurwaren" (augurken, uien in het zuur) was een typisch Joods beroep in het Amsterdamse straatbeeld van die tijd.
2. Beperkende maatregelen: In 1941 begonnen de bezettingsautoriteiten de economische bewegingsvrijheid van Joodse Amsterdammers steeds sterker in te perken. Vergunningen voor straathandel werden strenger gecontroleerd en vaak ingetrokken of aan niet-Joden toegewezen.
3. Bureaucratie als overlevingsmiddel: Voor veel Joodse kleine ondernemers was het behoud van een standplaatsvergunning essentieel voor hun levensonderhoud, zeker nu zij uit vele andere beroepen werden geweerd. De beleefde doch dringende toon van de brief onderstreept het belang van deze beslissing voor de aanvrager.
4. Archiefwaarde: Dit afschrift is waarschijnlijk bewaard gebleven in de archieven van de Marktwezen-administratie van de Gemeente Amsterdam. Het biedt een inkijkje in de dagelijkse strijd om het bestaan onder bezettingstijd. J. Franschman Gemeente Amsterdam Marktwezen