Brief / Verzoekschrift
Origineel
Brief / Verzoekschrift 26 mei 1941 Jacob Vischjager, Joubertstraat 5 II, Amsterdam № 10/4/14 M. 1941 20/5
AMSTERDAM, 26 Mei 1941
Aan den WelEdel Heer
Directeur van het Marktwezen
Jan vangalenstraat 14. Alhier
Geachten Heer
Naar aanleiding van het verbod om in omstreken van Ipenweg Oosterparkstraat enzv. gevoel ik mij verplicht om mij tot Uw te wenden aangezien mij medegedeeld is ik voor Vergunning niet in aanmerking kom den Ondergetekende Jacob Vischjager wonende Joubertstraat 5 II reeds zeerlangenjaren Venter van beroep is mij gebleken dat ik vermeen dat in zulks een vergissing moet schuilen, aangezien ik in dezen buurt al reeds 10 tallen Jaren populeir bekend ben, en ook in geen anderen wijk ooit was ik ben Asma en Brongietus lijder kan met mijn wagen onmogelijk de straat in of straat uit rijden, dat zou ik met bewijzen kunnen staven het niet verstrekken van vergunning zou den Honger van mijn gezin betekenen Zoo doende wend ik mij tot Uw om uwen Welwillende medewerking daar ik weet en U ook bekend staat als een humaan persoon die zeer gaarne zijn behulp samenhand iemand ten diensten staat. Zoo verzoek ik Uw beleef en met het oog op mijn gezin, mij een vergunning te willen geven, alwaar ik Uw zeerhoog dankbaar voor zal zijn. daar ik hoop dat zulks mij zal toegewezen worden en vermeen dat ik voor vergunning ook in aanmerking mogen zijn zoo verblijf ik
Met den meesten
Hoog Acht enzv
J Vischjager Joubertstraat 5 II In deze brief richt Jacob Vischjager zich in een wanhopige doch uiterst beleefde toon tot de Directeur van het Marktwezen in Amsterdam. De kern van zijn verzoek is het verkrijgen van een ventvergunning voor zijn vertrouwde buurt (nabij de Ipenweg en de Oosterparkstraat).
De schrijver voert drie hoofdargumenten aan:
1. Anciënniteit en bekendheid: Hij stelt dat hij al tientallen jaren als "venter" in deze specifieke buurt werkt en daar algemeen bekend is.
2. Gezondheid: Hij lijdt aan astma en "brongietus" (bronchitis), waardoor hij fysiek niet in staat is om zijn handkar naar andere wijken te verplaatsen.
3. Economische noodzaak: Het ontbreken van een vergunning zou directe honger voor zijn gezin betekenen.
De schrijfstijl is die van iemand met een beperkte schoolopleiding (fonetische spelling zoals "asma", "brongietus", "populeir" en het ontbreken van interpunctie), maar die wel de formele beleefdheidsvormen van die tijd hanteert om zijn zaak te bepleiten. De datum van de brief, 26 mei 1941, is cruciaal voor de historische context. Nederland is op dat moment ruim een jaar bezet door nazi-Duitsland. De schrijver, Jacob Vischjager, woonde in de Joubertstraat in de Transvaalbuurt, een wijk die in 1941 grotendeels door Joodse Amsterdammers werd bewoond.
In deze periode voerden de bezetter en de collaborerende overheid steeds strengere anti-Joodse maatregelen in. Een van de manieren om Joden uit het economische leven te bannen, was het intrekken of weigeren van vergunningen voor straathandel en marktkramen. Het "verbod" waar Vischjager over spreekt, was waarschijnlijk een direct gevolg van deze uitsluitingspolitiek.
De brief is een tragisch getuigenis van een individu dat probeert te overleven binnen een systeem dat hem stelselmatig zijn middelen van bestaan ontneemt. De vrees voor de "Honger van mijn gezin" was in de context van de bezettingsjaren en de toenemende isolatie van de Joodse bevolking een zeer reëel en nijpend gevaar. Uit archieven (zoals de Joodse Raad-kaarten) blijkt dat Jacob Vischjager de oorlog niet heeft overleefd; hij werd in 1942 in Auschwitz vermoord. Marktwezen