Ambtelijk advies/rapportage betreffende een vergunningsaanvraag.
Origineel
Ambtelijk advies/rapportage betreffende een vergunningsaanvraag. 13 augustus 1941. (Nota bene: doorgehaalde tekst is gemarkeerd met ~~stakers~~)
Aanvraag standplaatsvergunning
t.n.v. J. Frankenhuizen
W. h. M.
A'dam, 13/8 1941
10/4/2417
28/8/41 Hr
Onder terugzending van de met Uw kantbrief dd. 2 dezer om nader advies ontvangen stukken No 5/84 L.M. 1941 heb ik de eer U te verwijzen naar mijn brief van 29 Mei jl. No 10/4/16 M.D., waaruit blijkt, dat alhoewel tijdens de door mijn dienst ingestelde enquête naar het aantal venters in de Camperstraat en omgeving niet is aangetroffen. Welke inderdaad wel vaststaat, dat adressant behoort tot de zgn. "van ouds bekende" venters uit de Camperstraat, bestaat ten slotte dezerzijds geen bezwaar, dat hij alsnog aan een standplaats wordt geholpen. Dit kan geschieden, door hem een standplaats te verleenen in de Blasiusstraat, waar nog wel een plaats beschikbaar is. Wel is hier voor hetzelfde artikel nl. zuurwaren, eveneens vergunning verleend aan J. Pots (vergunning No L.M. 1741 dd ) die evenwel tegen het verleenen van een vergunning aan adressant geen bezwaar maakt, omdat ieder voor zich toch zijn eigen clientèle heeft.
~~Ik geef u beleefd in overweging hieromtrent eveneens het oordeel te doen inkomen van de Hr Hoofdcommissaris van Politie.~~
naar het besluit in de R.C. voor A'dam dd. 1 Aug. jl. No 473 L.M. 1941, waarin is bepaald, dat geen nieuwe standplaatsvergunningen aan niet-ariërs zullen worden uitgereikt. Aangezien adressant geen ariër is, ~~W. Franke~~ kan derhalve ~~v. Durenhooven~~ aan zijn verzoek ~~[onleesbaar]~~ niet worden ~~[onleesbaar]~~ voldaan.
14 8/41
A 13/8 '41 Dit document is een schrijnend voorbeeld van hoe de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter in 1941 direct ingrepen in het dagelijks leven van Amsterdammers.
De tekst begint als een routineus ambtelijk advies. De ambtenaar stelt vast dat de heer J. Frankenhuizen een bekende straathandelaar ("van ouds bekende venter") is in de Camperstraat. Er wordt een constructieve oplossing gezocht: een standplaats voor "zuurwaren" in de nabijgelegen Blasiusstraat. Zelfs de concurrent (J. Pots) heeft geen bezwaar.
In de laatste alinea verandert de toon echter radicaal. Op basis van een besluit van 1 augustus 1941 (slechts 12 dagen voor deze brief) wordt de aanvraag resoluut afgewezen omdat de aanvrager een "niet-ariër" (Jood) is. De doorhalingen van de eerdere conclusies en handtekeningen onderaan het document tonen de bureaucratische 'correctie' aan de hand van de nieuwe racistische wetgeving. In de zomer van 1941 werd de uitsluiting van Joden uit het economische leven in Nederland in hoog tempo doorgevoerd. De "R.C." in de tekst verwijst naar de Regeringscommissaris (destijds de pro-Duitse burgemeester Edward Voûte). Het besluit waar naar verwezen wordt, maakte deel uit van een bredere stroom verordeningen die Joden verbood hun beroep uit te oefenen, markten te bezoeken of lid te zijn van verenigingen. De Camperstraat en Blasiusstraat lagen in de Oosterparkbuurt, een wijk met destijds een aanzienlijke Joodse populatie. Dit document illustreert hoe een kleine zelfstandige door de bezetter van zijn legale bron van inkomsten werd beroofd louter op basis van zijn afkomst.