Archief 745
Inventaris 745-354
Pagina 142
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Verslag van een ambtelijke bespreking.

31 oktober 1941.

Origineel

Verslag van een ambtelijke bespreking. 31 oktober 1941. Bespreking op 31 October 1941 van den Directeur van het Marktwezen, den heer C.F.Sixma, den bedrijfschef, den heer Jac.Broerse, den waarnemend Secretaris, den heer H.A.van Duinhoven met den heer W.F.Dijkstra, vertegenwoordiger van den groothandel in groenten; den heer P.F.du Maine van den groothandel in aardappelen, den heer N.J.Dinkgreve van de tuindersveiling-vereeniging en den heer B.C. van Es, directeur der N.V.Nederlandsche Veiling van Land- en Tuinbouwproducten "Amsterdam".

O n d e r w e r p :
Ariseering Centrale Markt.
===========================

De Directeur schetst de verschillende fazen, welke de ariseering der Centrale Markt tot nu toe heeft doorloopen. Ten slotte is op 15 September jl. de bekende Verordening op het direct of indirect deelnemen van Joden aan de markten verschenen. Het daarin voorgeschreven beteekende voor de Gemeente Amsterdam een byzonder moeilyk probleem in verband met het zeer groote aantal Joden, dat hier ter stede woonachtig is en aan de markten pleegt deel te nemen. Thans is echter de ariseering der Centrale Markt op grond van de Verordening van 15 September jl. aan de orde. De situatie is zoo, dat er een absolute scheiding tusschen Joden en niet-Joden moet komen; dit beteekent derhalve het vestigen van een aparte markt voor de Joden. Hierby zyn verschillende mogelykheden onder oogen gezien.
1e. het terrein achter en naast het Hoofdkantoor Marktwezen aan de Jan van Galenstraat wordt voor de Joden bestemd met een aparten ingang aan de Jan van Galenstraat; het bezwaar hiervan is, dat op dit terrein geen pakhuizen zyn, terwyl een groot gedeelte van dit terrein niet is bestraat; verder zyn er onder meer verkeersbezwaren ten opzichte van een ingang ter plaatse naar de Jan van Galenstraat terwyl ook de oppervlakte van het terrein niet voldoende wordt geacht.
2e. pier E benevens het daarop staande pakhuis wordt voor de Joodsche grossiers en koopers bestemd met een aparten ingang aan de 2e Keucheniusstraat. Het terrein moet dan van het overige gedeelte der markt worden afgescheiden, zooals op een, aan de vergadering voorgelegde situatieschets is aangegeven. De niet-Joodsche grossiers moeten dan uit dit pakhuis E vertrekken naar de op de markt vrykomende pakhuizen der Joden, die zich op pier E zullen moeten vestigen.
3e. het sportterrein der politie met de kade aan de Keucheniusstraat wordt voor Joodsche markt ingericht; ingang aan de Keucheniusstraat. Bezwaar: er zyn hier geen pakhuizen aanwezig en het politieterrein is niet bestraat; dit terrein heeft belangryk grooter oppervlakte dan het eerstgenoemde aan de Jan van Galenstraat.

Deze mogelykheden zyn gisteren besproken, waarby in het byzonder naar voren is gekomen, hoe de Joodsche grossiers, by de invoering der scheiding zullen reageeren. De mogelykheid bestaat, dat vele Joodsche zaken belangryk zullen moeten inkrimpen en dat er firma's van de Centrale Markt zullen verdwynen, onder andere [in marge handgeschreven:] andere als gevolg van eventueele maatregelen, welke den omvang van den Joodschen handel op het gebied van groente en fruit zullen beperken.

Daarom is de gedachte naar voren gekomen om pier E tydelyk aan te wyzen als Joodsche markt. Men kan de ontwikkeling der dingen aanzien en daarna, [doorgehaald: en] [handgeschreven: op] het sportterrein der politie, dat in dien tyd voor markt geschikt zou kunnen worden gemaakt, onder meer door het bouwen van bergplaatsen, voor den Joodschen handel bestemmen. Spreker brengt dit plan thans in discussie.

De heer Dijkstra: De handel op de Centrale Markt is ten sterkste gekant tegen een plan, dat pier E aan het marktcomplex zou onttrekken. Het is natuurlyk voor hem moeilyk, zegt spreker, om hier bezwaren naar voren te brengen tegen dit plan, omdat hyzelf als huurder op pier E belanghebbende is, doch anderszyds is hy objectief genoeg om dit niet te doen gelden. Spreker mag dan ook zeggen, dat hy namens den geheelen groentehandel spreekt, wanneer hy zegt, dat onttrekking van pier E aan de Centrale Markt funest zal zyn voor den handel op die markt.

Op pier E zyn sedert 1934 15 niet-Joodsche zaken gevestigd; deze worden by doorvoering van dit plan ten zeerste gedupeerd en dit kan toch nimmer de bedoeling van de betreffende Verordening zyn. De grossiers der Centrale Markt kampen reeds sedert maanden met een groot gebrek aan pakhuisruimte. Spreker kan dan ook wel garande...

--- Het document is een verslag van een zakelijke bespreking over de logistieke uitvoering van de nazi-verordening die Joden uitsluit van deelname aan de reguliere markten. De toon is koel en administratief, waarbij de verdrijving van Joodse handelaren wordt gereduceerd tot een ruimtelijk en organisatorisch probleem.

Kernpunten:
1. Segregatie: Er wordt gezocht naar een fysieke locatie om de Joodse handelaren volledig te scheiden van de niet-Joodse handelaren ("absolute scheiding").
2. Locatieonderzoek: Drie opties worden afgewogen op basis van infrastructuur (bestrating, pakhuizen) en bereikbaarheid. Het politie-sportterrein en een terrein aan de Jan van Galenstraat vallen af wegens gebrek aan faciliteiten.
3. Economische ontmanteling: De tekst erkent dat de maatregelen zullen leiden tot het "inkrimpen" of "verdwijnen" van Joodse firma's. Dit was een expliciet doel van de bezetter.
4. Belangenverstrengeling: De heer Dijkstra spreekt zich uit tegen het toewijzen van 'Pier E' als Joodse markt. Hoewel hij beweert objectief te zijn, is hij zelf huurder op die pier. Zijn argumenten focussen op de schade voor de niet-Joodse ("Arische") groothandels.

--- Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1941 intensiveerde de bezetter de vervolging van de Joodse bevolking door hen stelselmatig uit het economische leven te weren.

Verordening 198/41: De genoemde "Verordening van 15 September jl." is Verordening 198/41, die Joden verbood om deel te nemen aan markten, marktkramen te hebben of handel te drijven op straat. Dit was een cruciale stap in de "Ariseering": het onteigenen van Joodse bezittingen en bedrijven ten gunste van niet-Joden.

De Centrale Markt: De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het kloppende hart van de voedselvoorziening in Amsterdam. Een groot deel van de tussenhandelaren en grossiers was Joods. De uitvoering van deze verordening op deze locatie had dan ook een enorme impact op zowel de Joodse gemeenschap als de voedseldistributie in de stad. Het verslag toont aan hoe Nederlandse ambtenaren en vertegenwoordigers uit de sector meewerkten aan de uitvoering van deze discriminerende nazi-maatregelen, vaak gericht op het minimaliseren van hinder voor de eigen ("Arische") belangen.

Samenvatting

Het document is een verslag van een zakelijke bespreking over de logistieke uitvoering van de nazi-verordening die Joden uitsluit van deelname aan de reguliere markten. De toon is koel en administratief, waarbij de verdrijving van Joodse handelaren wordt gereduceerd tot een ruimtelijk en organisatorisch probleem.

Kernpunten:
1. Segregatie: Er wordt gezocht naar een fysieke locatie om de Joodse handelaren volledig te scheiden van de niet-Joodse handelaren ("absolute scheiding").
2. Locatieonderzoek: Drie opties worden afgewogen op basis van infrastructuur (bestrating, pakhuizen) en bereikbaarheid. Het politie-sportterrein en een terrein aan de Jan van Galenstraat vallen af wegens gebrek aan faciliteiten.
3. Economische ontmanteling: De tekst erkent dat de maatregelen zullen leiden tot het "inkrimpen" of "verdwijnen" van Joodse firma's. Dit was een expliciet doel van de bezetter.
4. Belangenverstrengeling: De heer Dijkstra spreekt zich uit tegen het toewijzen van 'Pier E' als Joodse markt. Hoewel hij beweert objectief te zijn, is hij zelf huurder op die pier. Zijn argumenten focussen op de schade voor de niet-Joodse ("Arische") groothandels.


Historische Context

Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1941 intensiveerde de bezetter de vervolging van de Joodse bevolking door hen stelselmatig uit het economische leven te weren.

Verordening 198/41: De genoemde "Verordening van 15 September jl." is Verordening 198/41, die Joden verbood om deel te nemen aan markten, marktkramen te hebben of handel te drijven op straat. Dit was een cruciale stap in de "Ariseering": het onteigenen van Joodse bezittingen en bedrijven ten gunste van niet-Joden.

De Centrale Markt: De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het kloppende hart van de voedselvoorziening in Amsterdam. Een groot deel van de tussenhandelaren en grossiers was Joods. De uitvoering van deze verordening op deze locatie had dan ook een enorme impact op zowel de Joodse gemeenschap als de voedseldistributie in de stad. Het verslag toont aan hoe Nederlandse ambtenaren en vertegenwoordigers uit de sector meewerkten aan de uitvoering van deze discriminerende nazi-maatregelen, vaak gericht op het minimaliseren van hinder voor de eigen ("Arische") belangen.

Locaties

Amsterdam.

Ambtenaren

Bedrijfschef

Kooplieden in dit dossier 100

A. Cosman Waterlooplein "
A. Cosman Waterlooplein "
A. Poortje Uilenburg
A. Poortje Uilenburg
A. Poortje Uilenburg
A.v. Velzen Uilenburg "
A.v. Velzen Uilenburg "
B.A.Bouw
Barend Barend Uilenburg
Barend Barend Uilenburg
B. Barend Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Meents Uilenburg
B. Meents Uilenburg
B. Moffie Waterlooplein "
B. Moffie Waterlooplein "
B. Nebig Uilenburg
B. Nebig Uilenburg
B. Nebig Uilenburg
P. Langendijkstr Uilenburg 7
B. van Thijn Waterlooplein "
B. van Thijn Waterlooplein "
B. van Thijn Waterlooplein "
B. Wittenburg Uilenburg
C.Pas
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6