Archief 745
Inventaris 745-354
Pagina 144
Dossier 92
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte notulen of verslag van een vergadering (pagina 3).

Origineel

Getypte notulen of verslag van een vergadering (pagina 3). -3-

dat de handel vroeger steeds heeft gezegd, dat de Centrale Markt
veel te groot is opgezet; de handel heeft echter zyn standpunt
moeten herzien en algemeen is men nu van oordeel, dat de markt
reeds te klein begint te worden. Elke meter grond wordt thans vry-
wel gebruikt. Doch men zou nu de markt nog willen uitbreiden met
een nieuwe markt, hetgeen practisch gebeurt bij het onderhavige
plan; het is duidelyk, dat dit slechts kan geschieden door in-
krimping van de beschikbare ruimte voor de niet-Joodsche grossiers.
Elk plan is beter dan het plan E. Plan I heeft eveneens be-
zwaren. Ze zyn door den directeur reeds naar voren gebracht; boven-
dien ligt het terrein niet erg gunstig aan de Jan van Galenstraat
en is het wat klein.
De eenige mogelykheid acht spreker plan 3. Dit terrein zal
bestraat moeten worden en daar van een overkapping moeten worden
voorzien. Het terrein voor de Joodsche markt moet gezocht worden
buiten het thans in gebruik zynde marktterrein.

De Directeur zegt, dat hiermede tyd is gemoeid, terwyl gegevens omtrent wat er
noodig zal zyn, vooralsnog ontbreken; vandaar het plan om terrein
E tydelyk voor Joodsche markt te bestemmen.

De heer Dykstra antwoordt, dat de grossiers en de verdere handel pier E geen dag
kunnen missen. Het is sprekers stellige overtuiging, dat de Jood-
sche grossiers zich niet achter een afrastering zullen vestigen;
zy zullen van de markt verdwynen en in de omgeving van het Water-
looplein hun zaken gaan doen.

De heer Broerse oppert de mogelykheid, om terrein E, zonder pakhuis, tydelyk
voor de Joden te bestemmen. Dit zou, nu de winter aankomt en er
toch niet zoo’n behoefte aan dit terrein is, een goede oplossing
beteekenen. Men kan dan gedurende den winter zien, hoe de zaak zich
ontwikkelt en intusschen, indien nog noodig, het politiesportter-
rein voor Joodsche markt geschikt maken.

De Directeur zegt, dat slechts het plan E aan de orde is, waarbij het pakhuis
begrepen is.

De heer Du Maine acht het gewenscht, eerst met de Joden te overleggen; dan kan
blyken, welke firma’s op de Centrale Markt gevestigd zullen blyven
en aan de hand daarvan kan dan een geschikt terrein worden ge-
zocht. Ook spreker [potloodstreepje] is van meening, dat de Joodsche handel zich
buiten de markt zal gaan ontwikkelen, voor zoover ze dan nog arti-
kelen zullen ontvangen. De fruithandel, waar de Joden een belang-
ryke plaats innamen, is momenteel al zeer slap, door gebrek aan
fruit.

De Directeur meent, dat het voor de Joden moeilyk zal zyn in dit stadium van de
zaak hun houding te bepalen. Hy zal intusschen aanteekening houden
van de opmerking van den heer Du Maine.

De heer Dinkgreve zegt, dat er momenteel 464 tuinders zyn, waarby geen enkele
Jood is. Het staat wel vast, dat ook de Joden van groente moeten
worden voorzien, zoodat er stellig een toewyzing in het leven
moet worden geroepen, daar de Joden niet meer op de veilingen zul-
len mogen koopen. Op een of andere manier moet er dus ergens een
contact tusschen Joden en niet-Joden komen.
Spreker stelt voor uitsluitend de kade aan de 2e Keuche-
niusstraat voor de Joden te bestemmen; hier zal, gelet op het ver-
trek van vele Joden van de markt, stellig voldoende ruimte voor hen
beschikbaar zyn. Zoo noodig kan het sportterrein voor uitbreiding
van deze markt worden gereserveerd.
Alle vertegenwoordigers van den handel zyn zeer beslist
van meening, dat op de Centrale Markt nimmer een Joodsche markt
tot ontwikkeling zal komen, omdat de Joodsche grossiers stellig
niet op de markt zullen blyven.
De vertegenwoordigers van den handel verzoeken spoedig
met de beslissing van het Gemeentebestuur in kennis te worden ge-
/kunnen steld, teneinde zoo noodig een standpunt te /kunnen bepalen en de terzake
noodige maatregelen te nemen.

De Directeur dankt de heeren voor hun advies en deelt mede, dat hy de naar
voren gebrachte opmerkingen ter kennis van het Gemeentebestuur
zal brengen. Dit document legt een overleg vast tussen de directie van de Amsterdamse Centrale Markthallen en vertegenwoordigers van de (niet-Joodse) groothandel tijdens de Duitse bezetting. De kern van de discussie is de ruimtelijke segregatie van Joodse handelaren.

De tekst onthult verschillende aspecten van de toenmalige situatie:
* Segregatie en uitsluiting: Er wordt openlijk gesproken over het fysiek afscheiden van Joodse grossiers ("achter een afrastering") of het volledig verbannen van deze handelaren van het marktterrein. De voorkeur van de handel gaat uit naar een terrein buiten de huidige markt.
* Economische wurging: De heer Dinkgreve merkt op dat Joden niet meer op veilingen mogen kopen, wat duidt op de vergaande beperkingen die de Joodse bevolking werden opgelegd.
* Opportunisme en logistiek: Terwijl de Joodse handelaren systematisch worden buitengesloten, maken de overige handelaren zich vooral zorgen over hun eigen ruimtegebrek en de logistieke haalbaarheid van de verschillende plannen (Plan E, I en 3).
* De "verdwijning" van de Joodse handel: Er wordt gerefereerd aan het "vertrek van vele Joden", een eufemisme voor de gevolgen van de ariërisering van bedrijven en de beginnende deportaties. De fruithandel wordt specifiek genoemd als een sector waar Joden voorheen een belangrijke rol speelden. De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het kloppende hart van de voedselvoorziening in Amsterdam. Tijdens de bezetting voerden de nazi's een beleid van 'Entjudung' (ontjoodsing) van het economische leven. Dit document toont aan hoe de gemeentelijke bureaucreatie en de private sector meewerkten aan de logistieke uitvoering van deze uitsluiting.

De genoemde locaties (Jan van Galenstraat, 2e Keucheniusstraat) en de betrokkenheid van het Gemeentebestuur plaatsen dit verslag in de bredere geschiedenis van de Jodenvervolging in Amsterdam, waarbij de economische eliminatie een directe voorbode was van de fysieke vernietiging. De koele, zakelijke toon over de "bestemming" van mensen is kenmerkend voor de ambtelijke taal uit die periode.

Samenvatting

Dit document legt een overleg vast tussen de directie van de Amsterdamse Centrale Markthallen en vertegenwoordigers van de (niet-Joodse) groothandel tijdens de Duitse bezetting. De kern van de discussie is de ruimtelijke segregatie van Joodse handelaren.

De tekst onthult verschillende aspecten van de toenmalige situatie:
* Segregatie en uitsluiting: Er wordt openlijk gesproken over het fysiek afscheiden van Joodse grossiers ("achter een afrastering") of het volledig verbannen van deze handelaren van het marktterrein. De voorkeur van de handel gaat uit naar een terrein buiten de huidige markt.
* Economische wurging: De heer Dinkgreve merkt op dat Joden niet meer op veilingen mogen kopen, wat duidt op de vergaande beperkingen die de Joodse bevolking werden opgelegd.
* Opportunisme en logistiek: Terwijl de Joodse handelaren systematisch worden buitengesloten, maken de overige handelaren zich vooral zorgen over hun eigen ruimtegebrek en de logistieke haalbaarheid van de verschillende plannen (Plan E, I en 3).
* De "verdwijning" van de Joodse handel: Er wordt gerefereerd aan het "vertrek van vele Joden", een eufemisme voor de gevolgen van de ariërisering van bedrijven en de beginnende deportaties. De fruithandel wordt specifiek genoemd als een sector waar Joden voorheen een belangrijke rol speelden.

Historische Context

De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het kloppende hart van de voedselvoorziening in Amsterdam. Tijdens de bezetting voerden de nazi's een beleid van 'Entjudung' (ontjoodsing) van het economische leven. Dit document toont aan hoe de gemeentelijke bureaucreatie en de private sector meewerkten aan de logistieke uitvoering van deze uitsluiting.

De genoemde locaties (Jan van Galenstraat, 2e Keucheniusstraat) en de betrokkenheid van het Gemeentebestuur plaatsen dit verslag in de bredere geschiedenis van de Jodenvervolging in Amsterdam, waarbij de economische eliminatie een directe voorbode was van de fysieke vernietiging. De koele, zakelijke toon over de "bestemming" van mensen is kenmerkend voor de ambtelijke taal uit die periode.

Locaties

Amsterdam (Jan van Galenstraat 2e Keucheniusstraat).

Kooplieden in dit dossier 100

A. Cosman Waterlooplein "
A. Cosman Waterlooplein "
A. Poortje Uilenburg
A. Poortje Uilenburg
A. Poortje Uilenburg
A.v. Velzen Uilenburg "
A.v. Velzen Uilenburg "
B.A.Bouw
Barend Barend Uilenburg
Barend Barend Uilenburg
B. Barend Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Meents Uilenburg
B. Meents Uilenburg
B. Moffie Waterlooplein "
B. Moffie Waterlooplein "
B. Nebig Uilenburg
B. Nebig Uilenburg
B. Nebig Uilenburg
P. Langendijkstr Uilenburg 7
B. van Thijn Waterlooplein "
B. van Thijn Waterlooplein "
B. van Thijn Waterlooplein "
B. Wittenburg Uilenburg
C.Pas
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6