Getypte brief (doorslag of kopie).
Origineel
Getypte brief (doorslag of kopie). 5 juli 1941. De Directeur (van een niet nader genoemde gemeentelijke dienst). De Heer Stadsingenieur, Voorzitter Kleine Benzinecommissie, Raadhuis, Alhier. Verzonden 6/7 [handgeschreven]
VD/HG.
den Heer Stadsingenieur,
Voorzitter Kleine Benzinecommissie,
Raadhuis,
A l h i e r .
37/19/26 N. 5 Juli 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 10 Juni jl. S.I.3332/111
F.I heb ik de eer U te berichten, dat ik A.A.J.Ruhe op 18 Juni heb
opgeroepen voor het geven van inlichtingen; aan deze oproeping
heeft hij tot nu toe geen gevolg gegeven, zoodat ik U in overweging
geef, de onderhavige aanvrage niet verder in behandeling te nemen.
De Directeur, Deze ambtelijke correspondentie betreft een lopende aanvraag bij de "Kleine Benzinecommissie". Een burger, de heer A.A.J. Ruhe, heeft blijkbaar een verzoek ingediend (waarschijnlijk voor een brandstoftoewijzing). De directeur van de betreffende dienst heeft Ruhe opgeroepen om nadere inlichtingen te verschaffen, maar deze is niet verschenen.
Vanwege het uitblijven van medewerking door de aanvrager, adviseert de directeur aan de voorzitter van de commissie (de stadsingenieur) om de aanvraag te seponeren of "niet verder in behandeling te nemen". Het taalgebruik is formeel ("heb ik de eer U te berichten", "in overweging geef"). De brief dateert van juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was brandstof, zoals benzine, uiterst schaars en streng gerantsoeneerd. Alleen personen met een vitaal beroep of een dringende noodzaak kwamen in aanmerking voor toewijzingen via speciale commissies.
De "Kleine Benzinecommissie" was een lokaal orgaan dat de rechtmatigheid van dergelijke aanvragen toetste. De bureaucratische strikteid die uit deze brief spreekt — het stopzetten van een procedure omdat een aanvrager niet op een oproep verschijnt — is kenmerkend voor de ambtelijke afhandeling van schaarste onder het bezettingsregime. Het illustreert hoe burgers afhankelijk waren van overheidsbeslissingen voor hun mobiliteit. A.A.J. Ruhe
Samenvatting
Deze ambtelijke correspondentie betreft een lopende aanvraag bij de "Kleine Benzinecommissie". Een burger, de heer A.A.J. Ruhe, heeft blijkbaar een verzoek ingediend (waarschijnlijk voor een brandstoftoewijzing). De directeur van de betreffende dienst heeft Ruhe opgeroepen om nadere inlichtingen te verschaffen, maar deze is niet verschenen.
Vanwege het uitblijven van medewerking door de aanvrager, adviseert de directeur aan de voorzitter van de commissie (de stadsingenieur) om de aanvraag te seponeren of "niet verder in behandeling te nemen". Het taalgebruik is formeel ("heb ik de eer U te berichten", "in overweging geef").
Historische Context
De brief dateert van juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was brandstof, zoals benzine, uiterst schaars en streng gerantsoeneerd. Alleen personen met een vitaal beroep of een dringende noodzaak kwamen in aanmerking voor toewijzingen via speciale commissies.
De "Kleine Benzinecommissie" was een lokaal orgaan dat de rechtmatigheid van dergelijke aanvragen toetste. De bureaucratische strikteid die uit deze brief spreekt — het stopzetten van een procedure omdat een aanvrager niet op een oproep verschijnt — is kenmerkend voor de ambtelijke afhandeling van schaarste onder het bezettingsregime. Het illustreert hoe burgers afhankelijk waren van overheidsbeslissingen voor hun mobiliteit.