Handgeschreven conceptbrief (minuut).
Origineel
Handgeschreven conceptbrief (minuut). 27 december 1939. Concept [A’]dam 27 Dec. 1939.
MNr.
Verzoek om voorkeurkaart voor marktplaats van H.H. Prink.
[In rode inkt:] 20/42/2 M
W.B.M. 27/12/39 [paraaf]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 27 Oct. jl. aan mij ontvangen stuk no. 23/12 Coll 1939 heb ik de eer U te berichten, dat adressant drie maal schriftelijk is opgeroepen bij den inspecteur van mijn dienst, teneinde zijn verzoek nader toe te lichten. Aan geen dezer oproepingen heeft hij gevolg gegeven. Ik stel U mitsdien voor, deze aangelegenheid als afgedaan te beschouwen. Mocht adressant er nog eens op terug komen, dan kan zijn verzoek wederom worden behandeld.
[Doorgehaalde passage:]
~~Wellicht is dan 27/12/39 op de vraag hoe in het algemeen ten aanzien van buitenlanders in dergelijke gevallen moet worden gehandeld, een nadere beslissing genomen. Overeenkomstig Uw missive d.d. ([...] 1939) zal deze vraag in de~~ Het document is een ambtelijk concept waarin wordt geadviseerd om een lopend dossier te sluiten. Een zekere H.H. Prink had een voorkeursbehandeling aangevraagd voor een standplaats op de markt. Uit de brief blijkt dat de inspecteur van de betreffende dienst de aanvrager driemaal heeft opgeroepen voor een toelichting, maar dat de aanvrager nooit is verschenen.
De taal is formeel en typisch voor de vooroorlogse bureaucreatie (gebruik van "den inspecteur", "mitsdien", "hetgeen"). Opvallend is de doorgehaalde tekst onderaan de brief. Hieruit blijkt dat de ambtenaar aanvankelijk een link wilde leggen met een algemener beleidskwestie omtrent "buitenlanders". In de definitieve versie is dit weggelaten, waarschijnlijk omdat de individuele zaak van Prink al simpelweg op basis van diens eigen verzuim (het niet verschijnen) kon worden afgehandeld zonder de bredere politieke of beleidsmatige vraagstukken aan te roeren. De datum, 27 december 1939, plaatst dit document in de periode van de Mobilisatie in Nederland, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (mei 1940). In deze tijd was er sprake van schaarste en strikte regulering van economische activiteiten, waaronder de markthandel.
De referentie aan "buitenlanders" in de doorgehaalde passage is historisch interessant. In 1939 was er een aanzienlijke stroom vluchtelingen (met name Joodse vluchtelingen uit Duitsland) in Amsterdam. De overheid worstelde met de vraag in hoeverre deze mensen deel mochten nemen aan het economisch verkeer, zoals de markthandel, om concurrentie met de lokale bevolking te beperken. Het feit dat dit deel is doorgehaald, suggereert dat men de zaak-Prink liever op procedurele gronden afdeed dan op basis van afkomst of nationaliteit. H.H. Prink