Archief 745
Inventaris 745-357
Pagina 188
Dossier 105
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte brief op officieel briefpapier.

14 november 1941. Van: Een (niet nader genoemde) vertegenwoordiger/advocaat van de firma Gebr. Duyn.

Origineel

Getypte brief op officieel briefpapier. 14 november 1941. Een (niet nader genoemde) vertegenwoordiger/advocaat van de firma Gebr. Duyn. 14 November 41.

Den Heer Burgemeester der Gemeente Amsterdam

A M S T E R D A M

Edelachtbare Heer,

Mijn cliente, de firma Gebr.Duyn alhier, heeft het voornemen om, wanneer de noodzakelijke goedkeuring hiervoor wordt verleend, de aandeelen over te nemen van de N.V. Fruit- en Groentenhandel, S.Hakker te Amsterdam, welke aandeelen joodsch bezit zijn. Een desbetreffend contract is in begin Augustus j.l. opgemaakt en tegelijk is de vereischte toestemming tot de voorgenomen ariseering aangevraagd bij de Wirtschaftsprüfstelle.

Tot dusverre is hierop niet beschikt en mij is medegedeeld dat het nog wel een heelen tijd kan duren, daar de ariseeringsaanvragen branchegewijze worden behandeld en men aan den handel in groeten en fruit nog niet toe is.

Mijn cliente wacht in spanning, daar het voor haar van groot belang is de N.V. Hakker te kunnen overnemen. Het bedrijf van cliente bestond in hoofdzaak uit handel in zuidvruchten met name import van bananen, waarvan zij 150.000 à 200.000 stuks per week omzette. Nu deze handel is komen te vervallen heeft zij een nieuw arbeidsveld gezocht en zij hoopte dit te vinden door overneming van de N.V. Hakker, die in den groothandel in groeten en fruit zeer goede relaties heeft.

De verordening van 15 September j.l. over het optreden van joden in het openbaar heeft cliente ten zeerste verontrust. De N.V Hakker werkt op de Centrale Markt te Amsterdam en wanneer zij niet meer mag deelnemen aan markten en niet meer mag koopen op veilingen, wordt het bedrijf onmiddellijk waardeloos. Zou de ariseering later worden toegestaan, dan zou cliente daarmede niet meer gebaat zijn, omdat de relaties inmiddels in andere handen zouden zijn overgegaan.

Volgens artikel 4 der verordening kan de Commissaris-Generaal voor de Veiligheid of de door dezen aangewezen instantie uitzonderingen toestaan. Ik weet niets van een aangewezen instantie en heb den Commissaris-Generaal zelf schriftelijk verzocht in deze in het belang van cliente een uitzondering te willen maken. Tot dusverre is daarop geen antwoord binnen gekomen. Deze brief is een illustratie van het proces van 'arisering' tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De firma Gebr. Duyn probeert via een juridische/zakelijke weg een Joodse onderneming (N.V. Hakker) over te nemen.

De kernpunten van de brief zijn:
1. Economisch opportunisme: Gebr. Duyn heeft door de oorlog haar eigen handel in bananen verloren en ziet de overname van een Joods bedrijf als een manier om te overleven.
2. Bureaucratische vertraging: De Wirtschaftsprüfstelle (de Duitse instantie die toezag op de onteigening van Joodse bedrijven) werkt traag, wat bij de koper tot "spanning" leidt.
3. De impact van anti-Joodse maatregelen: De schrijver wijst expliciet op de Verordening van 15 september 1941. Deze maatregel verbood Joden de toegang tot vele openbare plaatsen, waaronder markten. De koper vreest dat de waarde van de N.V. Hakker verdampt als de Joodse eigenaren hun werk op de Centrale Markt niet meer mogen uitvoeren voordat de overname is afgerond.
4. Verzoek om uitzondering: Er wordt getracht een uitzonderingspositie te verkrijgen bij de Generalkommissar für das Sicherheitswesen (Hanns Albin Rauter) om de bedrijfsvoering veilig te stellen totdat de eigendomsoverdracht is voltooid. De brief dateert uit november 1941, een periode waarin de economische uitsluiting van Joden in Nederland in volle gang was. 'Arisering' was de term voor de gedwongen overdracht van Joods bezit naar niet-Joodse eigenaren, vaak tegen een fractie van de werkelijke waarde.

De genoemde "Verordening van 15 september j.l." is Verordening 154/1941 (betreffende het optreden van Joden in het openbaar), een beruchte maatregel die de bewegingsvrijheid van Joden extreem inperkte. Dit document toont aan hoe niet-Joodse ondernemers deze maatregelen enerzijds als een risico voor hun investering zagen, maar anderzijds gebruikten als pressiemiddel om de overname van Joods bezit te bespoedigen. Het legt de kille, zakelijke kant van de beroving van de Joodse gemeenschap bloot.

Samenvatting

Deze brief is een illustratie van het proces van 'arisering' tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De firma Gebr. Duyn probeert via een juridische/zakelijke weg een Joodse onderneming (N.V. Hakker) over te nemen.

De kernpunten van de brief zijn:
1. Economisch opportunisme: Gebr. Duyn heeft door de oorlog haar eigen handel in bananen verloren en ziet de overname van een Joods bedrijf als een manier om te overleven.
2. Bureaucratische vertraging: De Wirtschaftsprüfstelle (de Duitse instantie die toezag op de onteigening van Joodse bedrijven) werkt traag, wat bij de koper tot "spanning" leidt.
3. De impact van anti-Joodse maatregelen: De schrijver wijst expliciet op de Verordening van 15 september 1941. Deze maatregel verbood Joden de toegang tot vele openbare plaatsen, waaronder markten. De koper vreest dat de waarde van de N.V. Hakker verdampt als de Joodse eigenaren hun werk op de Centrale Markt niet meer mogen uitvoeren voordat de overname is afgerond.
4. Verzoek om uitzondering: Er wordt getracht een uitzonderingspositie te verkrijgen bij de Generalkommissar für das Sicherheitswesen (Hanns Albin Rauter) om de bedrijfsvoering veilig te stellen totdat de eigendomsoverdracht is voltooid.

Historische Context

De brief dateert uit november 1941, een periode waarin de economische uitsluiting van Joden in Nederland in volle gang was. 'Arisering' was de term voor de gedwongen overdracht van Joods bezit naar niet-Joodse eigenaren, vaak tegen een fractie van de werkelijke waarde.

De genoemde "Verordening van 15 september j.l." is Verordening 154/1941 (betreffende het optreden van Joden in het openbaar), een beruchte maatregel die de bewegingsvrijheid van Joden extreem inperkte. Dit document toont aan hoe niet-Joodse ondernemers deze maatregelen enerzijds als een risico voor hun investering zagen, maar anderzijds gebruikten als pressiemiddel om de overname van Joods bezit te bespoedigen. Het legt de kille, zakelijke kant van de beroving van de Joodse gemeenschap bloot.

Kooplieden in dit dossier 100

Gerelateerde Documenten 6