Ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Ambtelijke brief/memorandum. 20 december 1941. Onbekend (waarschijnlijk een directeur of beheerder van de Centrale Markt of een aanverwante gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). VD/HG.
37/139/1 M.
20 December 1941.
Vervoersmoeilijkheden
Centrale Markt.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U het volgende te berichten.
De aanvoer en afvoer van tuinbouwproducten naar en van de Centrale Markt ondervindt, sedert den oorlogstoestand is ingetreden, vanzelfsprekend groote moeilijkheden. Omtrent een en ander is dezerzijds bij voortduring overleg gepleegd met de Kleine Benzinecommissie (Gemeentelijke instelling), de Rijksverkeersinspectie, de Bevrachtingscommissie en het Bevrachtingskantoor van het Bureau V.V.O. Het transport is momenteel als volgt geregeld.
De aanvoer van producten van de verschillende veilingen in het land naar de Centrale Markt geschiedt uitsluitend per schip, per wagon of per tot gasgenerator omgebouwde auto.
De afvoer der producten van de Centrale Markt naar de in de stad gevestigde kleinhandelaren geschiedt met omgebouwde gasauto's, met paardentractie, handkarren en bakfietsen. Zoowel voor den aanvoer als voor den afvoer van deze producten wordt reeds sedert geruimen tijd geen benzine meer verstrekt, behoudens in enkele gevallen, zooals voor den aanvoer van groenten uit de omgeving van Amsterdam naar de Centrale Markt voornamelijk voor zoover deze per zoogenaamd tuindersschuitje geschiedt.
Voor de voorziening der stad met aardappelen, groenten en fruit heeft zulks geen stoornissen van beteekenis opgeleverd, hoewel er natuurlijk moeilijkheden voorkomen. Men kan echter zeggen, dat de handel zich ten deze heeft aangepast.
Voor de tuinders, die in de omgeving van Amsterdam zijn gevestigd en die hun producten per auto vervoeren, staat de zaak eenigszins anders. Voor den aanvoer der producten van de ca. 450 tuinders naar de Veiling op de Centrale Markt werd tot nu toe door de Rijksverkeersinspectie 7.000 à 8.000 liter benzine per maand verstrekt. De bedrijven van deze tuinders liggen zeer verspreid en het is niet mogelijk gebleken de van hen afkomstige en voor Amsterdam zoo belangrijke producten op andere wijze naar de markt te doen vervoeren.
De verstrekking der voor de tuinders bestemde ben- Dit document schetst een gedetailleerd beeld van de logistieke uitdagingen in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting, specifiek gericht op de voedselvoorziening via de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat.
De kern van het probleem is het acute tekort aan vloeibare brandstof (benzine). De tekst laat zien hoe de transportsector zich noodgedwongen aanpaste:
1. Technologische aanpassing: Het gebruik van "gasgeneratoren" (houtgasgeneratoren) op vrachtwagens werd de norm voor lange afstanden.
2. Terugkeer naar traditionele middelen: Voor de distributie binnen de stad greep men terug op paard-en-wagen, handkarren en bakfietsen.
3. Waterweg: Het "tuindersschuitje" bleef een cruciale rol spelen voor de aanvoer vanuit de directe omgeving.
Interessant is de vermelding van de 450 lokale tuinders die nog wel benzine kregen (7.000 tot 8.000 liter per maand). Dit onderstreept dat de autoriteiten het belang van de lokale aanvoer van verse groenten en fruit zo groot achtten dat zij hierop een uitzondering maakten in het verder strikte distributiebeleid. In december 1941 was de Duitse bezetting van Nederland ruim anderhalf jaar gaande. De schaarste nam hand over hand toe. Benzine was vrijwel uitsluitend gereserveerd voor de Wehrmacht en essentiële diensten. De "Kleine Benzinecommissie" en de "Rijksverkeersinspectie" waren instanties die moesten beslissen over de minimale toewijzing van brandstof om de samenleving niet volledig te laten vastlopen.
De Centrale Markthallen waren het kloppende hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Als de aanvoer daar stokte, dreigde er direct honger in de stad. Het document laat de spanning zien tussen de bureaucratische beperkingen van de bezettingstijd en de noodzaak om de bevolking te blijven voeden. Het feit dat de brief is gericht aan de "Wethouder voor de Levensmiddelen" duidt op een escalatie van het probleem naar het hoogste gemeentelijke niveau.