Ambtelijke brief/rapportage van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Ambtelijke brief/rapportage van de Gemeente Amsterdam. 26 februari 1943. Gemeente Amsterdam, Afdeling Algemeene Zaken en Sociale Voorzieningen (Afd. Ass.Z. en W.A.), gevestigd in het Raadhuis. N° 10/24/3 M. 1942 1/3
Gemeente Amsterdam
Raadhuis, O.Z. Voorburgwal 197, kamer 27
Telefoon 43130, 43321 Toestel 316
Postgiro 13500 (193)
Gemeentegiro 193
Men wordt verzocht, bij het antwoord nauwkeurig den datum, het nummer en de afdeeling van dezen brief te vermelden
Den Heer Directeur van het Marktwezen,
Jan van Galenstraat 14,
A M S T E R D A M.W.
Afd. Ass.Z. en W.A. No. V.I/86 ª Bijlagen: Datum: 26 Februari 1943
Uw brief d.d.
No.
Bij Uw brief dd. 5 Augustus 1942 no. 10/24/2M, stelde U mij ter hand een lijst, vermeldende vorderingen welke Uw dienst heeft op een aantal groentengrossiers, waarvan de inning op moeilijkheden is gestuit.
Ten aanzien van de afwikkeling dezer gevallen kan ik U thans het volgende berichten.
I. Geïnd zijn de navolgende vorderingen:
| No. | Debiteur | Geind | Oninbaar | Totaal |
|---|---|---|---|---|
| 1. | A. Hes | f 35.-- | -.-- | f 35.-- |
| 2. | S. Druif | " 2.-- | f 81.34 | " 83.34 |
| 3. | H. Nebig | " 7.04 | " 34.-- | " 41.04 |
| 7. | A. Tas | " 47.50 | " -.-- | " 47.50 |
| 8. | B.N. Waterman | " 8.-- | " 57.83 | " 65.83 |
| 15. | T.L. de Bruin | " 50.-- | " -.-- | " 50.-- |
| 30. | C.M.B. Mattheai | " 30.-- | " -.-- | " 30.-- |
| 36. | N. Galis | " 37.50 | " -.-- | " 37.50 |
| 40. | C.H. Ditjeer | " 25.-- | " -.-- | " 25.-- |
| 43. | M. Plukker | " 10.05 | 50.-- | " 60.05 |
| 47. | J. Vroegop | " 55.-- | -.-- | " 55.-- |
| 49. | W.J. de Weert | " 59.66 | -.-- | " 59.66 |
| 50. | T.O. Duyn | " 10.-- | 10.-- | " 20.-- |
| 51. | J. Roet | " 25.-- | -.-- | " 25.-- |
| 52. | L. Agsteribbe | " 5.-- | 129.64 | " 134.64 |
| 53. | P. Bruinsma | " 135.79 | 60.-- | " 195.79 |
| 56. | W.v. Dongen | " 30.-- | -.-- | " 30.-- |
| 64. | P. Tamis | " 27.50 | 197.50 | " 225.-- |
| 54. | F. Schotvanger | " 83.33 | -.-- | " 83.33 |
| f 683.37 | f 620.31 | f 1303.68 |
*
II. Een regeling werd getroffen met de navolgende debiteuren:
| No. | Debiteur | Regeling voor: | Oninbaar | Totaal |
|---|---|---|---|---|
| 6. | J. van Dal | f 37.50 | f 2.50 | f 40.-- |
| 9. | M. Alderden | " 50.-- | -.-- | " 50.-- |
| 11. | A.J. Klaver | " 22.50 | -.-- | " 22.50 |
| 13. | Wed. B. Nebig | " 100.-- | -.-- | " 100.-- |
| 14. | P. Out | " 20.-- | -.-- | " 20.-- |
| f 230.-- | f 2.50 | f 232.50 |
Transporteeren Dit document is een boekhoudkundig overzicht van openstaande schulden van Amsterdamse groentengrossiers aan het Marktwezen. Het document valt op door de uiterst zakelijke weergave van financiële gegevens in een periode van grote maatschappelijke ontreddering.
De tabel maakt onderscheid tussen bedragen die de gemeente succesvol heeft kunnen innen ("Geind") en bedragen die als verloren worden beschouwd ("Oninbaar"). Dit geeft inzicht in de economische staat van de Amsterdamse handelaren in 1942-1943. De nauwkeurigheid waarmee bedragen tot op de cent worden verantwoord (zoals f 7.04 of f 59.66), is kenmerkend voor de Nederlandse bureaucratie uit die tijd. De datum, 26 februari 1943, plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. De Jan van Galenstraat, waar de geadresseerde (Directeur van het Marktwezen) zetelde, was de locatie van de Centrale Markthallen, het hart van de voedseldistributie.
Zeer opvallend zijn de namen in de debiteurenlijst. Veel van deze namen (zoals Hes, Druif, Nebig, Tas, Waterman en Agsteribbe) zijn typerend voor de Joodse gemeenschap in Amsterdam. In februari 1943 waren de deportaties naar de vernietigingskampen in volle gang. Het feit dat vorderingen op deze personen als "oninbaar" worden genoteerd of dat er minimale bedragen zijn geïnd, heeft een sinistere achtergrond: deze ondernemers waren hun burgerrechten kwijtgeraakt, hun bezittingen waren vaak al geconfisqueerd of ze waren reeds gedeporteerd.
Dit document is daarmee niet slechts een financiële rapportage, maar een indirect bewijs van de economische uitsluiting en fysieke eliminatie van Joodse Amsterdammers uit het economische leven van de stad. De "moeilijkheden bij de inning" waarover de tekst spreekt, waren voor een aanzienlijk deel het directe gevolg van de vervolging door de bezetter.