Handgeschreven brief (correspondentie).
Origineel
Handgeschreven brief (correspondentie). 24 november 1942. J. Postma, Heerenmarkt 20 II, Amsterdam. Den Heer Directeur van het marktwezen te Amsterdam. [Linksboven, stempel/notitie:]
№ 11/60/1 M. 1942 27/11
Amsterdam 24 November 1942
Den Heer Directeur van
het marktwezen te Amsterdam.
W. [WelEdel?]
Op Uw advies ben ik geweest
op kamer 69 in de markthallen, welke
mij verwees naar den Heer Veldhuis, wel-
ke mij mijn oude boeken liet halen
om te constateeren of ik wel omzet
had in de verloopen jaren.
De Heer Veldhuis ging met mij
naar den Heer Hogenstegen aan wie hij
vroeg of ik veel zaken met hem had
gedaan wat die ten volle erkende.
Later kwam den Heer De Mijne die
beweerde dat er op de markthallen voorlo-
pig voor mij niets was te doen, doch raadde
mij naar Den Haag te gaan naar de T.B.D.
daar waren controleurs nodig, ik ben
daar geweest te solliciteeren doch hoor
tot dusver nog niets.
Voor een jaar terug heb ik al ge-
solliciteerd aan de markthallen onverschillig
welke betrekking als ik maar mijn brood kon
verdienen doch het schijnt als men J.J. Ber
is dat dan alles is afgesneden.
Hopende nog iets van U te vernemen
Hoogachtend
J. Postma
Heerenmarkt 20 II
Amsterdam
[In de linkermarge:]
Aan Postma
is bericht gezonden
4/12 Het document is een verzoekschrift of beklag van J. Postma gericht aan de directeur van het Amsterdamse Marktwezen. De schrijver is op zoek naar werk en probeert aan te tonen dat hij in het verleden een actieve handelsrelatie had met de markthallen (bevestigd door "Heer Hogenstegen").
De kern van de brief ligt in de laatste alinea. Postma uit zijn frustratie over het feit dat hij, ondanks zijn bereidheid om elk type werk aan te nemen om in zijn levensonderhoud te voorzien, overal wordt afgewezen. Hij suggereert een discriminerende reden voor deze afwijzing met de zinsnede: "het schijnt als men J.J. Ber is dat dan alles is afgesneden".
De term "J.J. Ber" is cruciaal. In de context van 1942 (tijdens de Duitse bezetting) verwijst "J" of "J.J." vaak naar de status van "Jood" of "Joodse Burger". De toevoeging "Ber" zou kunnen refereren aan een specifieke registratie bij het Bureau Economische Recherche of een vergelijkbare instantie die toezicht hield op economische activiteiten van Joodse burgers. De brief laat de wanhopige pogingen zien van een individu om binnen een steeds restrictiever wordend systeem aan het werk te blijven. De brief is geschreven in november 1942, een periode waarin de anti-Joodse maatregelen in bezet Nederland een hoogtepunt bereikten. Joden waren inmiddels uitgesloten van de meeste beroepen en de "Arisering" van het bedrijfsleven en de markten was in volle gang.
- De Markthallen: De Centrale Markthallen in Amsterdam waren het hart van de voedseldistributie. Tijdens de bezetting stonden deze onder streng toezicht van de bezetter en de gemeente.
- T.B.D.: Waarschijnlijk een verwijzing naar een overheidsinstantie of keuringsdienst (mogelijk Technisch Bureau of een distributie-instantie) in Den Haag.
- Sociale impact: De brief illustreert de bureaucratische 'kastje-naar-de-muur' politiek. Postma wordt van kamer 69 naar de heren Veldhuis, Hogenstegen en De Mijne gestuurd, om uiteindelijk te horen dat er "niets te doen is". De notitie in de marge ("bericht gezonden 4/12") suggereert dat de ambtelijke molen de brief heeft verwerkt, maar de uitkomst voor Postma was in die tijd vrijwel zeker negatief. J. Postma J.J. Ber Marktwezen