Getypte ambtelijke brief met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte ambtelijke brief met handgeschreven kanttekeningen. 20 januari 1942. Onbekend (vermoedelijk een afdelingshoofd van de Gemeente Amsterdam, gezien de referentie naar de Wethouder voor Levensmiddelen). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). [Handgeschreven, rechtsboven:] Inspecteur Th. Sickingh
[Handgeschreven, midden boven:] Verzonden 21/1
[Getypt, linksboven:] 18/3/10 M.
[Getypt, rechtsboven:] D/G.
[Getypt, rechts:] 20 Januari 1942.
Joodsche straathandel.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrieven d.d. 16 en 19 dezer om spoedig advies ontvangen stukken no. 94/1 L.M.1942 en 94/6 L.M.1942 heb ik de eer U, wat betreft den gang van zaken ten aanzien van den Joodschen straathandel het volgende te berichten.
Ingevolge opdracht van den Burgemeester op 8 Januari jl. is op dienzelfden dag een aanvang gemaakt met het aanzeggen aan de Joodsche venters, dat zy zich zonder verwyl moesten vervoegen by het Arbeidsbureau en aldaar hun ventvergunning moesten inleveren. Met den Directeur van het Arbeidsbureau is afgesproken, dat hy my de ingenomen ventvergunningen zou zenden. Daar niet bekend was, welke der ruim 2000 venters Joden zyn, is aanvankelyk uit het kaartregister van myn dienst een lyst gemaakt van de personen, waarvan vermoed werd, dat zy Joden waren. Inmiddels zyn de namen van alle venters op zoogenaamde bevolkingsbriefjes geplaatst. Deze briefjes zyn by het Bevolkingsregister ingeleverd en komen thans groepsgewys weer by myn dienst terug. Daarna kan worden nagegaan, welke personen alsnog moeten worden opgeroepen en die welke, nog niet aan de oproeping hebben voldaan; dit laatste door vergelyking met den staat van ingenomen ventvergunningen, welke, met de ventvergunningen, van het Arbeidsbureau zyn ontvangen.
Van het innemen van de ventvergunning zyn, krachtens nader van U ontvangen opdracht, uitgesloten de lompenventers en de vrouwelyke venters. Overigens zyn of worden alsnog alle ventvergunningen van Joden ingenomen.
Het is my inmiddels gebleken, dat het Arbeidsbureau in afwyking met den dezerzyds met den Directeur van dit bureau gemaakte afspraak, aan de Joodsche venters, welke na hun melding aan het Arbeidsbureau waren gekeurd, voor zoover zy werden afgekeurd, de ventvergunningen weer ter hand zyn gesteld. Deze ventvergunningen zullen thans weer worden achterhaald. Overigens wordt door de Politie op den openbaren weg toezicht gehouden, dat door Joodsche kooplieden
[Document breekt hier af] Dit document is een ambtelijk verslag over de systematische onteigening van Joodse straathandelaren in Amsterdam in de eerste weken van 1942. Het legt de bureaucratische processen bloot die werden gebruikt om Joden economisch te isoleren:
- Identificatie: Omdat de administratie niet direct aangaf wie Joods was, werd een "lijst van vermoedens" opgesteld die vervolgens werd getoetst aan de kaarten van het Bevolkingsregister (waarop de beruchte 'J' gestempeld stond).
- Samenwerking: Er is sprake van een nauwe samenwerking tussen het kantoor van de Burgemeester, de Wethouder, het Arbeidsbureau, het Bevolkingsregister en de Politie.
- Dwang: Joodse handelaren moesten zich "zonder verwyl" (onmiddellijk) melden om hun vergunning in te leveren, wat hen direct hun inkomen ontnam.
- Uitzonderingen: Tijdelijk werden lompenventers en vrouwen ontzien, vermoedelijk om de afvalverwerking niet te verstoren of vanwege een geleidelijke escalatie van de maatregelen.
- Bureaufouten: De schrijver merkt een fout op bij het Arbeidsbureau, waar mensen die werden "afgekeurd" voor arbeid (dwangarbeid) abusievelijk hun vergunning terugkregen. Dit toont de nietsontziende aard van de maatregel: wie niet geschikt was voor werk, mocht ook niet zelfstandig blijven handelen. De datum van deze brief, 20 januari 1942, is historisch cruciaal: dit is exact de dag waarop de Wannseeconferentie in Berlijn plaatsvond, waar de praktische uitvoering van de "Endlösung" (de vernietiging van het Joodse volk) werd gecoördineerd. Terwijl in Duitsland over de genocide werd beslist, hield de Amsterdamse bureaucratie zich op ditzelfde moment bezig met de gedetailleerde ontneming van de laatste middelen van bestaan voor de Joodse bevolking.
In 1941 waren de eerste grote stappen tegen de Joodse economie al gezet (zoals de aanmeldingsplicht voor Joodse bedrijven). Begin 1942 werd dit uitgebreid naar de kleinste zelfstandigen, zoals de straatventers. Door hun "ventvergunning" in te trekken, werden zij volledig afhankelijk van steun of dwangarbeid, wat een directe voorbode was voor de latere deportaties naar de kampen. De vermelding van de "Wethouder voor de Levensmiddelen" suggereert dat de distributie van voedsel via de straathandel een politiek punt was waarbij Joden werden uitgesloten.