Getypte brief (doorslag), bladzyde 2.
Origineel
Getypte brief (doorslag), bladzyde 2. 20 januari 1942. De Directeur van het Marktwezen (Amsterdam). De Heer Wethouder voor de Levensmiddelen. Bladzyde 2 van brief No. 18/3/10 M d.d. 20 Januari 1942 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.
geen straathandel meer wordt uitgeoefend. Hierop hebben betrekking de beide dienst telegrammen der Politie d.d. 13 en 15 Januari jl., waarvan ik U hierbij afschrift doe toekomen.
Van de venters welke geen vaste plaats op een der Joodsche markten hebben, zullen de toegangsbewijzen tot de Centrale Markt en de Vischmarkt, voor zoover zij in het bezit daarvan waren, worden ingetrokken. Van de maatregelen ten aanzien van de joodsche straathandel zijn, blijkens dezerzijds van de Burgemeester ontvangen mededeeling, de houders van vaste standplaatsen op de joodsche markten en de houders van vaste standplaatsen uitgesloten. Ter zake van deze laatste (van welke groep ook sprake is in de hierbij overgelegde politie telegrammen) zie ik gaarne van U zoo mogelijk spoedig nadere instructie tegemoet.
Ten aanzien van de in de brieven van den Beauftragte voor de stad Amsterdam d.d. 10 en 13 Januari 1942 genoemde venters kan ik U nog het volgende mededeelen.
A.Dotsch is destijds ventvergunning serie 6 no.58 verleend en behoort tot de venters, die dezerzijds op 8 en 9 Januari zijn aangeschreven om zich bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te melden.
M.Suelheim is alleen in het bezit van een standplaatsvergunning en is dus dezerzijds niet aangeschreven.
A.Aalsveldis destijds ventvergunning serie 1 no.6 verleend en behoort tot de venters, die dezerzijds op 8 en 9 Januari zijn aangeschreven om zich bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te melden.
D.de Laay is destijds ventvergunning serie E.Z.no. 224 verleend en is dezerzijds in eerste instantie niet aangeschreven. De betreffende controleur heeft dezen venter blijkbaar niet als een Jood gekend. Wat betreft de vrouw van D.de Laay, E.de Laay diene, dat zij in het bezit is van ventvergunning serie 25 no.123; het is dus mogelijk, dat zij deze vergunning had vergeten.
M.Koopman is destijds ventvergunning serie 11 no.177 verleend en behoort tot de venters, die dezerzijds op 8 en 9 Januari zijn aangeschreven.
De ventvergunningen, standplaatsvergunningen en marktkaarten zijn door mij gehouden en zullen worden gevoegd bij die, welke door de Joodsche straathandelaren zijn ingeleverd. Het persoonsbewijs, de legitimatiekaart L.B.D., het notitieboekje en eenige foto's van M.Koopman doe ik U hierbij weder toekomen. Ik moge aan Uw oordeel overlaten, welke van deze bescheiden aan den man behooren te worden teruggegeven. De erkenningskaart der Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale zal mijnerzijds aan deze Centrale worden gezonden, met verzoek voor intrekking te doen zorgdragen.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk verslag over de systematische uitsluiting van Joodse burgers van het economische leven in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kernpunten zijn:
- Intrekking van rechten: Vergunningen voor de Centrale Markt en de Vischmarkt worden afgenomen van Joodse handelaren zonder vaste standplaats.
- Bureaucracy van uitsluiting: De brief noemt specifieke individuen (A. Dotsch, M. Suelheim, A. Aalsveldis [sic], D. de Laay, M. Koopman). Er wordt gerapporteerd wie zich bij het Gewestelijk Arbeidsbureau moet melden, wat vaak een opmaat was naar dwangarbeid of deportatie.
- Identificatie: Een opvallend detail is de vermelding dat een controleur D. de Laay "blijkbaar niet als een Jood gekend" had, wat wijst op de actieve opsporing en registratie van Joodse burgers door gemeentelijke inspecteurs.
- Inbeslagname van eigendommen: Naast werkvergunningen worden ook persoonlijke bezittingen zoals persoonsbewijzen, legitimatiekaarten van de Luchtbeschermingsdienst (L.B.D.) en zelfs foto's ingenomen en gecontroleerd door de directeur van het Marktwezen. In januari 1942 was de isolatie van de Joodse bevolking in Nederland in een vergevorderd stadium. Sinds 1941 waren er talrijke verordeningen van de Duitse bezetter (via de Beauftragte voor Amsterdam, Hans Böhmcker) die Joden verboden deel te nemen aan openbare markten, behalve op specifiek aangewezen "Joodse markten".
De brief illustreert de nauwe samenwerking tussen de Duitse bezetter, de Amsterdamse politie en de gemeentelijke diensten (zoals het Marktwezen). De ambtenarij voerde de uitsluitingsmaatregelen tot in detail uit, waarbij het ontnemen van het middel van bestaan (de ventvergunning) een cruciale stap was in het proces dat uiteindelijk leidde tot de grootschalige deportaties die later in 1942 zouden beginnen.