Ambtsbericht/bekendmaking van de politie.
Origineel
Ambtsbericht/bekendmaking van de politie. 13 januari 1942 (handgeschreven linksboven). Commissaris Orde Politie. 13 Januari 1942
Vanaf heden is alle straathandel (met uitzondering van het opkoopen van lompen en oud ijzer) aan Joden verboden. De ventvergunningen der Joden zijn ingenomen. Indien een Jood nog met straathandel, bijvoorbeeld met bloemen of fruit zal worden aangetroffen, moet identiteit worden vastgesteld en een mededeeling hieromtrent worden ingezonden (aan het Hoofdbureau).
Commissaris Orde Politie.
z.o.z. Dit document is een directieve die de volledige uitsluiting van Joden van de straathandel in de publieke ruimte beveelt, met een zeer specifieke uitzondering voor de handel in afvalmaterialen (lompen en oud ijzer). Het bevel is dwingend: vergunningen zijn al ingenomen en overtreders moeten direct worden geïdentificeerd en gerapporteerd aan het hoofdbureau van politie.
De tekst is zakelijk en administratief van toon, wat de bureaucratische aard van de vervolging onderstreept. Het laat zien hoe de politie-organisatie werd ingezet als instrument om de anti-Joodse maatregelen van de bezetter te handhaven. De uitzondering voor lompen en oud ijzer is typerend; dit werk werd vaak als minderwaardig gezien maar was economisch nuttig voor de oorlogsindustrie van de bezetter. Dit document stamt uit januari 1942, een periode waarin de Duitse bezetter in Nederland de mazen rond de Joodse bevolking steeds strakker aantrok. Sinds de inval in 1940 werd de Joodse gemeenschap stap voor stap geïsoleerd door middel van honderden verordeningen.
Het verbod op straathandel was een zware slag voor de Joodse bevolking, aangezien velen voor hun dagelijks brood afhankelijk waren van markthandel en venten (bijvoorbeeld met bloemen, fruit of textiel). Door hen hun bron van inkomsten te ontnemen, werd de economische basis van de gemeenschap systematisch vernietigd. Deze maatregel past in het grotere proces van 'ontmanning' en segregatie dat voorafging aan de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen, die later in 1942 op gang zouden komen. De term "Commissaris Orde Politie" duidt op een functionaris binnen het door de bezetter gecontroleerde politieapparaat.
Samenvatting
Dit document is een directieve die de volledige uitsluiting van Joden van de straathandel in de publieke ruimte beveelt, met een zeer specifieke uitzondering voor de handel in afvalmaterialen (lompen en oud ijzer). Het bevel is dwingend: vergunningen zijn al ingenomen en overtreders moeten direct worden geïdentificeerd en gerapporteerd aan het hoofdbureau van politie.
De tekst is zakelijk en administratief van toon, wat de bureaucratische aard van de vervolging onderstreept. Het laat zien hoe de politie-organisatie werd ingezet als instrument om de anti-Joodse maatregelen van de bezetter te handhaven. De uitzondering voor lompen en oud ijzer is typerend; dit werk werd vaak als minderwaardig gezien maar was economisch nuttig voor de oorlogsindustrie van de bezetter.
Historische Context
Dit document stamt uit januari 1942, een periode waarin de Duitse bezetter in Nederland de mazen rond de Joodse bevolking steeds strakker aantrok. Sinds de inval in 1940 werd de Joodse gemeenschap stap voor stap geïsoleerd door middel van honderden verordeningen.
Het verbod op straathandel was een zware slag voor de Joodse bevolking, aangezien velen voor hun dagelijks brood afhankelijk waren van markthandel en venten (bijvoorbeeld met bloemen, fruit of textiel). Door hen hun bron van inkomsten te ontnemen, werd de economische basis van de gemeenschap systematisch vernietigd. Deze maatregel past in het grotere proces van 'ontmanning' en segregatie dat voorafging aan de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen, die later in 1942 op gang zouden komen. De term "Commissaris Orde Politie" duidt op een functionaris binnen het door de bezetter gecontroleerde politieapparaat.