Handgeschreven concept-brief of intern memorandum met veel doorhalingen en correcties.
Origineel
Handgeschreven concept-brief of intern memorandum met veel doorhalingen en correcties. In de tekst wordt verwezen naar politietelegrammen van "dd. 13 en 15 Jan. jl." (waarschijnlijk 1941 of 1942). (Opmerking: Doorgehaalde tekst is aangegeven tussen vierkante haken […]. De tekst is verdeeld in de logische tekstblokken zoals ze op het papier staan.)
[Rechtsboven/Midden:]
dienst terug. Daarna kan worden nagegaan
welke personen alsnog [oproepingen]
moeten worden opgeroepen en die dewelke nog
niet aan de oproeping hebben voldaan; het
laatste door vergelijking met de staat
van ingekomenen [of] welke, met de v.v. [ventvergunningen], van
het Arbeidsbureau zijn ontvangen.
Van het innemen van de ventvergunningen
zijn [---] krachtens nader van U ontvangen
opdracht, uitgesloten de lompenventers
en de vrouwelijke venters. Overigens zijn,
of worden, alsnog alle ventvergunningen van
[---] ingevorderd.
[Midden/Links - Marginale notitie:]
Lafaytoy [?]
[Midden:]
Het is mij inmiddels gebleken, dat
het Arbeidsbureau, in [overleg met den] van dit Bureau
overweg met den directeur [---]
afspraak, aan de joodsche venters welke
bij na diens melding aan het AB waren
gekomen, voor zoover zij werden afgekemd [afgekeurd],
de ventvergunning weer ter hand
zijn gesteld. Die ventvergunningen zullen
thans weer worden achterhaald.
[Onderste blok rechts:]
[De venters] De venters welke
[---] geen vaste plaats
op een der Joodsche markten hebben,
zullen de [---] de toegangs-bewijzen
tot de [---] de markten, voor zoover
zij [---] in het bezit daarvan
waren, worden ingetrokken. Van de
maatregelen t.a.v. de joodsche straathandel
zijn, blijkens [schrijven] van den Burgemeester
ontvangen mededeeling, de houders van
plaatsen op de joodsche markten en
de houders van vaste standplaatsen
uitgesloten. [---]
[Ten aanzien van] Ten aanzien van deze
laatste [---] van welke groep ook sprake
is in de hierbij overgelegde politie-telegrammen,
zal ik de bedoelde [---]
[---] zie ik gaarne van U
[---] nadere instructie tegemoet.
zoo mogelijk spoedig
[Linker marge, verticaal geschreven:]
Overigens wordt
door de politie een
vlijtig [?] op den
openbaren weg toezicht
gehouden dat door
joodsche kooplieden
[---] geen
straathandel wordt
uitgeoefend. Hiervan
hebben behalve de
beide politioneele
dienst-telegrammen dd. 13
en 15 Jan. jl., welke ik U hierbij
in afschrift doe toekomen, Dit document is een administratieve weerslag van de toenemende uitsluiting van Joden uit het economische leven in Nederland tijdens de bezetting. De kernpunten zijn:
- Coördinatie met de Arbeidseinsatz: Er is een direct verband tussen de "oproeping" (voor werkverschaffing of kampen) en het bezit van een ventvergunning. De administratie controleert wie er is verschenen na oproeping door lijsten van het Arbeidsbureau te vergelijken.
- Intrekking van vergunningen: Er wordt opdracht gegeven om alle ventvergunningen van Joden in te vorderen, met een aanvankelijke uitzondering voor lompenventers en vrouwen.
- Bureaucratische frictie: De schrijver merkt op dat het Arbeidsbureau per abuis vergunningen heeft teruggegeven aan Joden die voor de arbeid waren afgekeurd. Dit moet worden gecorrigeerd; de vergunningen moeten alsnog worden "achterhaald".
- Segregatie op de markt: Joodse marktkooplieden zonder vaste standplaats op de specifiek aangewezen "Joodsche markten" verliezen hun toegangsbewijzen.
- Handhaving: De politie houdt streng toezicht op de openbare weg om te voorkomen dat Joden nog enige vorm van straathandel drijven buiten de toegestane kaders. De tekst moet geplaatst worden in de periode kort na de instelling van de Joodse markten (zoals in Amsterdam aan het Waterlooplein en de Gaaspstraat in 1941). De Duitse bezetter voerde een politiek van stapsgewijze isolatie. Door Joodse handelaren eerst naar specifieke markten te dwingen en vervolgens hun vergunningen en toegangsbewijzen af te pakken, werden zij volledig beroofd van hun middelen van bestaan.
De rol van het Arbeidsbureau in deze tekst is cruciaal; het verlies van een werkvergunning maakte Joden kwetsbaarder voor oproepen voor gedwongen tewerkstelling in werkkampen, wat later de opmaat vormde naar de grootschalige deportaties. Dit document toont de kille, bureaucratische efficiëntie waarmee de Nederlandse overheid (in dit geval politie en lokale administratie) de verordeningen van de bezetter uitvoerde.