Handgeschreven brief op gelinieerd papier.
Origineel
Handgeschreven brief op gelinieerd papier. M.A. Jacobs, Louis Bothastraat 7 II, Amsterdam-Oost. № 18 / 3/28 M. 1942 29/1
Mijnheer daar u mij bericht heeft om
mijn ventvergunning in te leveren,
deelik u mede dat deze niet in mijn
bezit is, maar op het kantoor van
sociale zaken in de Marnixstraat ligt.
Hoogachtend
M.A. Jacobs
Louis Bothastraat 7 II
A,dam Oost.
[Aan de rechterzijde:] 12/1 42 * Inhoud: De brief is een korte zakelijke mededeling van de heer M.A. Jacobs. Hij reageert op een officieel verzoek om zijn ventvergunning (een vergunning voor straathandel) in te leveren. Hij geeft aan dat hij dit document niet zelf heeft, maar dat het reeds bij het kantoor van Sociale Zaken aan de Marnixstraat in Amsterdam ligt.
* Vorm: Het handschrift is verzorgd en kenmerkend voor de eerste helft van de 20e eeuw. De tekst bevat een kleine spelfout ("deelik" in plaats van "deel ik").
* Administratieve sporen: De cijfers bovenaan zijn waarschijnlijk door een ambtenaar toegevoegd bij ontvangst van de brief voor de dossiervorming. * Historische context: De brief is gedateerd op 12 januari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
* Sociaal-economische achtergrond: In deze periode werden door de bezetter steeds restrictievere maatregelen opgelegd, in het bijzonder aan de Joodse bevolking. De Louis Bothastraat ligt in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost, een wijk die destijds een grote Joodse populatie kende.
* Relevantie: Het intrekken of moeten inleveren van ventvergunningen was een methode om Joodse burgers hun middelen van bestaan te ontnemen. Hoewel de brief op zichzelf neutraal van toon is, past deze in de bureaucratische afhandeling van de uitsluiting van Joden uit het economische leven in Amsterdam in 1942. Veel Joodse straathandelaren raakten in deze periode hun vergunning kwijt als onderdeel van de anti-Joodse verordeningen. M.A. Jacobs
Samenvatting
- Inhoud: De brief is een korte zakelijke mededeling van de heer M.A. Jacobs. Hij reageert op een officieel verzoek om zijn ventvergunning (een vergunning voor straathandel) in te leveren. Hij geeft aan dat hij dit document niet zelf heeft, maar dat het reeds bij het kantoor van Sociale Zaken aan de Marnixstraat in Amsterdam ligt.
- Vorm: Het handschrift is verzorgd en kenmerkend voor de eerste helft van de 20e eeuw. De tekst bevat een kleine spelfout ("deelik" in plaats van "deel ik").
- Administratieve sporen: De cijfers bovenaan zijn waarschijnlijk door een ambtenaar toegevoegd bij ontvangst van de brief voor de dossiervorming.
Historische Context
- Historische context: De brief is gedateerd op 12 januari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
- Sociaal-economische achtergrond: In deze periode werden door de bezetter steeds restrictievere maatregelen opgelegd, in het bijzonder aan de Joodse bevolking. De Louis Bothastraat ligt in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost, een wijk die destijds een grote Joodse populatie kende.
- Relevantie: Het intrekken of moeten inleveren van ventvergunningen was een methode om Joodse burgers hun middelen van bestaan te ontnemen. Hoewel de brief op zichzelf neutraal van toon is, past deze in de bureaucratische afhandeling van de uitsluiting van Joden uit het economische leven in Amsterdam in 1942. Veel Joodse straathandelaren raakten in deze periode hun vergunning kwijt als onderdeel van de anti-Joodse verordeningen.