Archiefdocument
Origineel
2 februari 1942 Onbekend (ondertekend met "D.D."), vermoedelijk een functionaris gelieerd aan de N.G.C. Directie van de N.G.C. (Nederlandsche Groenten Centrale) A'dam, 2/2 1942
Dir.
N. G. C.
In bijlage dezes heb ik de eer
U de erkenningskaarten te doen
toekomen ten name van:
H. Gobits Groep K. 56595
B. Hakker Groep K 49000
M. Koopman " " 56682
S. Zoutke " K 37099
welke kaarten mij door den ver-
tegenwoordiger van den Rijkscom-
missaris voor het bezette Nederl. gebied
te A'dam zijn gezonden, onder
mededeeling, dat deze personen
het verdere handeldrijven is
verboden.
Het komt mij derhalve
gewenscht voor, dat deze kaarten
door Uw centrale worden
ingetrokken.
[in rode inkt:] 18/3/41 M
[onderaan:] D.D. [paraaf] * Onderwerp: De brief betreft de administratieve verwerking van een handelsverbod voor vier specifieke personen. Hun "erkenningskaarten" (identificatie- of vergunningsbewijzen voor handelaren) worden geretourneerd aan de centrale instantie om officieel te worden ingetrokken.
* Instanties: De N.G.C. staat voor de Nederlandsche Groenten Centrale, een crisisorganisatie die de handel in groenten reguleerde. De brief vermeldt expliciet de betrokkenheid van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied (het bestuur onder Arthur Seyss-Inquart), wat de dwingende aard van de maatregel onderstreept.
* Personen: De namen H. Gobits, B. Hakker, M. Koopman en S. Zoutke zijn herkenbaar als Joodse achternamen. Het document legt vast hoe zij door de bezetter systematisch uit het economische leven werden gestoten.
* Administratieve details: De "Groep K" verwijst naar de specifieke sectie of regio binnen de N.G.C. waarbij deze handelaren geregistreerd stonden. De rode aantekening "18/3/41 M" onderaan kan een verwijzing zijn naar een eerdere verordening uit maart 1941 (mogelijk Verordening 48/41 betreffende Joodse bedrijven) die de juridische basis vormde voor deze actie. Dit document is een direct bewijs van de economische uitsluiting van Joden tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In de loop van 1941 en 1942 werden Joodse ondernemers en handelaren via een reeks verordeningen gedwongen hun activiteiten te staken. Dit proces, vaak aangeduid als "Arisering", had tot doel Joodse burgers hun middelen van bestaan te ontnemen en hun bezittingen te confisqueren.
De brief illustreert de kille, bureaucratische weg die werd bewandeld: van een bevel van de Rijkscommissaris naar een uitvoerende branche-organisatie (N.G.C.), die vervolgens de vergunningen intrekt. Voor de genoemde personen betekende dit document het einde van hun legale beroepsuitoefening, wat in de meeste gevallen de opmaat vormde naar verdere vervolging en deportatie. De namen H. Gobits B. Hakker M. Koopman en S. Zoutke zijn herkenbaar als Joodse achternamen. Het document legt vast hoe zij door de bezetter systematisch uit het economische leven werden gestoten.