Archiefdocument
Origineel
3 Maart 1942. № 18/3/53 ... 1942
Gemeente Amsterdam
Raadhuis, O.Z. Voorburgwal
Telefoon 43130, 43321
Men wordt verzocht, bij het antwoord nauwkeurig den datum, het nummer en de afdeeling van dezen brief te vermelden
Aan Alhier.
Afd. L.M. No. 223/1942 Bijlagen: Uw brief: Datum: 3 Maart 1942
Onderwerp:
Ingevolge beslissing van de Duitsche Autoriteiten mogen Joodsche standplaatshouders geen standplaatsen meer innemen buiten de eigenlijke Jodenwijken.
In verband hiermede wordt overwogen voor een aantal Joodsche kooplieden een standplaats te vinden in een Joodsche buurt (waarin o.a. ook Uw standplaats ligt), terwijl voor niet-Joodsche kooplieden, die thans in deze wijken mogen staan, desgewenscht de gelegenheid wordt geopend, een der vrijgekomen plaatsen - waarvan in bijlage een opgave volgt - te betrekken.
Waar aan U een vergunning is verleend voor een plaats, welke is gelegen in een der Joodsche wijken, verzoek ik U, om indien U meer belang hebt bij inname van een der vrijgekomen standplaatsen dan bij behoud van de plaats, welke U thans mag innemen, hiervan vóór 10 Maart a.s. schriftelijk kennis te geven aan het Bureau Algemeene Dienstzaken van het Hoofdbureau van Politie, Elandsgracht, alhier; hierbij dient de standplaats, waarvoor U in aanmerking zoudt willen komen, te worden opgegeven.
Model G.A. 5
Stadsdrukkerij Amsterdam
24117-11-41-2000 Dit document is een ambtelijke kennisgeving van de Gemeente Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kern van de brief is de uitvoering van een discriminerende maatregel: Joodse marktkooplieden worden verbannen van alle standplaatsen buiten de specifiek aangewezen "Jodenwijken".
De brief is specifiek gericht aan een niet-Joodse koopman (gezien de context van de laatste alinea). De gemeente biedt deze niet-Joodse ondernemers de kans om de standplaatsen over te nemen die door Joodse collega's gedwongen moeten worden verlaten. De toon is zakelijk en bureaucratisch, waarbij de uitsluiting van een bevolkingsgroep wordt gepresenteerd als een logistieke herschikking ("gelegenheid wordt geopend"). De uitvoering van deze maatregel is belegd bij de politie (Elandsgracht), wat het dwingende karakter van de maatregel onderstreept. De brief dateert van maart 1942, een periode waarin de anti-Joodse maatregelen in Nederland in een stroomversnelling kwamen. Nadat in 1941 de Joodse bevolking al grotendeels was geregistreerd en geïsoleerd (onder andere door de instelling van de Joodsche Raad en de markering van Joodse wijken na de Februari-staking), verschoof de focus in 1942 naar de totale economische uitsluiting en voorbereiding op deportatie.
Het beperken van Joodse straathandel tot de Jodenbuurt was een effectieve manier om Joodse burgers uit het publieke leven te verwijderen en hun middelen van bestaan te minimaliseren. Tegelijkertijd werden niet-Joodse burgers door dergelijke regelingen ("vrijgekomen plaatsen") impliciet aangemoedigd om te profiteren van de onteigening en verdrijving van hun Joodse medeburgers. Dit document vormt een tastbaar bewijs van de medewerking van het Amsterdamse gemeenteapparaat aan de uitvoering van de Holocaust-politiek van de bezetter. O.Z. Voorburgwal Gemeente Amsterdam Hoofdbureau Politie