Brief (ambtelijk schrijven)
Origineel
Brief (ambtelijk schrijven) 21 Januari 1942 Marktwezen Amsterdam (Jan van Galenstraat 14, West) Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam) [Briefhoofd]
A.Z. Model No. 8a-5000-6-'40-1070
Marktwezen Amsterdam
Jan van Galenstraat 14 (West)
VD/HG.
Telefoon 85151
[In rood potlood:] 10/3/142 [geparafeerd]
[Groot in rood potlood:] 10/3/56 M
Aan: den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, A l h i e r.
Verzoeke bij beantwoording datum en nummer van dezen brief te vermelden
No: 18/3/~~10~~ M. Bijlagen: 4 Datum: 21 Januari 1942.
Onderwerp: Standplaatsvergunningen ten name van M.Roos, M.Grootkerk en A.de Groot.
Onder terugzending van de met Uw kantbrieven d.d. 24 December jl. om advies ontvangen stukken no.’s 5/462, 5/463 en 5/464 L.M. 1941 heb ik de eer U te berichten, dat mijnerzijds geen bezwaar bestaat, dat aan adressanten standplaatsen worden verleend, zooals op bijgaanden staat is aangegeven. ~~in verband met het onderstaande~~
Het betreft hier Joodsche kooplieden met bloemen, die voor 5 November jl. plaatsen innamen met bloemen op de dagmarkten.
Een en ander is ingevolge Uw opdracht dezerzijds voorbereid met den Gemeentelijken Adviseur voor voedings- en distributieaangelegenheden en met het Hoofdbureau van Politie.
[Handgeschreven toevoeging onderaan:]
In verband met mijn brief dd. 20 Jan. 1942 No 18/3/10 M o.a. i.z. de politietelexgrammen over het innemen van Joodsche standplaatsen, is de onderhavige aangelegenheid aangehouden totdat hieromtrent door den Bm. [Burgemeester] een beslissing zou zijn genomen; aangezien dit blijkbaar thans is geschied (zie brief van den Bm. dd. 19/2-'42 No 2234 M) zie ik betr. de politietelexgrammen thans geen bezwaar meer, de betreffende aanvragen thans in behandeling te nemen. W.v.d. [geparafeerd]
[Handgeschreven tekst in de linker kantlijn:]
aangezien de aangevraagde plaatsen niet alle liggen in de in de havenrommelen deze zijn bij het Hoofdbureau van Politie te worden bezien. De afd. t.h. van de kwartiering heeft ondertussen andere thans nader door het Marktbureau voorgestelde kwartieren. Deze brief van het Marktwezen Amsterdam aan de Wethouder voor de Levensmiddelen (destijds de pro-Duitse Edward J. Voûte) betreft de aanvraag van standplaatsvergunningen voor drie Joodse bloemenverkopers: M. Roos, M. Grootkerk en A. de Groot.
Kernpunten:
1. Bureaucratische afhandeling: De brief toont de formele weg die bewandeld werd: adviesaanvragen bij het Marktwezen, overleg met de Gemeentelijke Adviseur voor voedingszaken en het Hoofdbureau van Politie.
2. Uitsluiting en segregatie: De brief specificeert expliciet dat het om "Joodsche kooplieden" gaat. De datum (januari 1942) is cruciaal; de bezetter was op dat moment bezig Joden stelselmatig uit het economische leven te weren en naar specifieke wijken (getto's) te drijven.
3. Handgeschreven toevoegingen: De latere aantekeningen (februari 1942) laten zien dat de zaak was aangehouden vanwege politietelexen over "het innemen van Joodsche standplaatsen". Dit duidt op een centrale sturing vanuit de Duitse autoriteiten of de nationaalsocialistische burgemeester over waar Joden nog mochten handelen.
4. Locatieproblematiek: De kantlijnnotitie spreekt over locaties ("havenrommelen" of mogelijk "havenkwartieren") en "kwartiering", wat wijst op de ruimtelijke beperkingen die Joodse handelaren opgelegd kregen: zij mochten alleen nog op specifieke, aangewezen markten of plekken staan. In januari 1942 was de uitsluiting van Joden in Nederland in een vergevorderd stadium. Sinds eind 1940 en gedurende 1941 waren er talrijke verordeningen uitgevaardigd die de bewegingsvrijheid en economische zelfstandigheid van Joden beknotten.
In september 1941 was bepaald dat Joden alleen nog op speciale markten of op aangewezen plekken mochten staan. In Amsterdam werden Joodse marktkooplieden geconcentreerd op plekken zoals het Waterlooplein en de Gaaspstraat.
De brief illustreert hoe de Nederlandse ambtenarij (het Marktwezen) meewerkte aan de uitvoering van dit discriminerende beleid. Hoewel de ambtenaar schrijft dat er "geen bezwaar" is, gebeurt dit binnen het kader van de nieuwe, beperkende regels. De verwijzing naar de "politietelexgrammen" onderstreept de rol van de politie bij de handhaving van anti-Joodse maatregelen op straat en op de markten. Kort na de datum van deze brief, in de loop van 1942, zouden de meeste Joodse ondernemingen definitief worden geliquideerd of 'geariuseerd', en begon de grootschalige deportatie van de Joodse bevolking.