Ambtsbrief (afschrift) van de Duitse bezettingsautoriteiten.
Origineel
Ambtsbrief (afschrift) van de Duitse bezettingsautoriteiten. 18 mei 1942. Der Beauftragte für die Stadt Amsterdam (namens de Reichskommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete), bij monde van A. Gombault (Wirtschaftsreferent). De Burgemeester van Amsterdam, E.J. Voûte. [Header]
Afschrift.
No. 77/6a L.M. 1942.
Der Reichskommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete.
Amsterdam, den 18. Mai 1942.
Der Beauftragte für die Stadt Amsterdam.
[Handgeschreven paraaf: Mastw t.k.n?] [Handgeschreven letter: B]
[Blauwe stempel/paraaf: Insp]
An den Bürgermeister der Stadt Amsterdam
Herrn E.J. Voûte
Amsterdam.
[Body]
Betr.: Ungarischer Jude als Strassenhändler/Iher Abt. L.M. 1942, No, 77/6.
Bei den ungarischen Juden soll vorläufig noch eine Ausnahme gemacht werden. Ich bitte Sie daher, dem ungarischen jüdischen Strassenhändler Moritz Bergmann seine Konzession zum Strassenhandel in Speise-eis und kleineren Esswaren wieder zuzustellen.
Ich teile Ihnen hierzu noch mit, dass erstrebt werden soll, die Ausnahmebestimmungen für die jüdischen Staatsangehörigen befreundeter Nationen aufzuheben. Ich werde nicht verfehlen, Sie zu gegebener Zeit von der erfolgten Aufhebung der Ausnahmebestimmungen in Kenntnis zu setzen.
Im Auftrag,
gez. A. Gombault
Wirtschaftsreferent.
[Onderzijde - Stempels en handgeschreven noten]
[Rechthoekige stempel:]
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en Schoonmaak-, Bad- en Zweminrichtingen stelt deze in handen van den Heer Directeur van het Marktwezen [Handgeschreven:] ter kennisneming.
A'dam, 23 Mei 1942.
[Blauwe stempel:]
20/6 KENNISGENOMEN.
DE DIRECTEUR VAN HET MARKTWEZEN
[Handgeschreven paraaf]
[Grote paarse cijfers/stempel onderaan:]
Nº 18/3/92 M. 1942 18 26/5 Dit document is een bevel van de Duitse bezetter aan de burgemeester van Amsterdam betreffende het lot van één individu: de Hongaars-Joodse straathandelaar Moritz Bergmann.
De kern van de brief is dat Bergmann zijn vergunning voor de verkoop van consumptie-ijs en kleine etenswaren terug moet krijgen. De reden hiervoor is puur bureaucratisch-diplomatiek: op dat moment (mei 1942) genoten Joden met de nationaliteit van landen die bondgenoot waren van nazi-Duitsland (zoals Hongarije) nog een tijdelijke uitzonderingspositie. Terwijl Nederlandse Joden al grotendeels uit het openbare economische leven waren verdreven, moesten de autoriteiten voor 'bevriende' buitenlanders voorzichtiger opereren om diplomatieke incidenten te voorkomen.
De brief bevat echter een duidelijke waarschuwing: deze uitzondering is "vorläufig" (voorlopig). De schrijver kondigt expliciet aan dat men er naar streeft deze uitzonderingsbepalingen op te heffen. De datum van de brief, 18 mei 1942, is saillant. Slechts twee weken eerder, op 3 mei 1942, was de Jodenster verplicht gesteld in Nederland. De uitsluiting van Joden uit de samenleving was in volle gang en de voorbereidingen voor de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen waren in een vergevorderd stadium.
In deze periode probeerden veel Joden in Nederland via een buitenlands paspoort (vaak van neutrale of as-mogendheden) onder de anti-Joodse maatregelen uit te komen. De Duitse bezetter accepteerde dit aanvankelijk om politieke redenen, maar zoals deze brief laat zien, werd er achter de schermen al gewerkt aan het intrekken van die laatste bescherming.
De administratieve route onderaan het document toont de medewerking van het Amsterdamse ambtenarenapparaat onder de door de Duitsers aangestelde burgemeester Voûte. Het document gaat van de Duitse Beauftragte naar de burgemeester, vervolgens naar de Wethouder voor Levensmiddelen, om uiteindelijk op 20 juni 1942 bij de Directeur van het Marktwezen te belanden "ter kennisneming".