Brief met ambtelijke aantekeningen.
Origineel
Brief met ambtelijke aantekeningen. Mevr./Mej. Heide. [Hoofdtekst]
Amsterdam 29 October 1942.
Weled. Heer.
Heden morgen ontving ik
U schrijven van 28 dezer, waarin U
mijn man A. Heide verzocht om
te uwer kantore te komen.
Ik moet U echter
mededeelen dat mijn man al
eenige tijd in Duitschland zit,
daar hij bij een razia gearresteerd
is.
Inmiddels verblijf ik,
Hoogachtend.
Mej. Heide.
[Aantekeningen midden/rechts]
A. Cuypstr. 187 II
haring en zuurwaren
(Zuid.)
[Aantekening links]
Ventverg: 10/193
[Aantekening onderzijde]
opgeroepen om werkverruiming in
te dienen. niet noodig — is Jood.
[Paraaf] 7/11 '42
[Stempel onderzijde]
Nº 10/49/1 M. 1942 5/11 Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging in bezet Nederland.
- De brief van de echtgenote: Mevrouw Heide reageert op een oproep voor haar man om op een kantoor te verschijnen. Zij meldt dat hij reeds in Duitsland "zit" (gevangen zit/gedeporteerd is) nadat hij bij een razzia is opgepakt. Het gebruik van "Mej." (Mejuffrouw) terwijl ze over haar man spreekt, was destijds niet ongebruikelijk in correspondentie, hoewel "Mevr." vaker voorkwam.
- Beroep en adres: De aantekening "haring en zuurwaren" duidt op het beroep of de winkel van de familie Heide aan de Albert Cuypstraat 187. Dit was een bekende marktbuurt in Amsterdam met veel Joodse bewoners en ondernemers.
- De ambtelijke beslissing: De meest cruciale en kille passage bevindt zich onderaan. Een ambtenaar noteert op 7 november 1942 dat de oproep voor "werkverruiming" (een eufemisme voor gedwongen tewerkstelling of administratieve controle die vaak voorafging aan deportatie) niet meer hoeft te worden afgehandeld. De reden die hiervoor wordt gegeven is even kort als veelzeggend: "niet noodig — is Jood." De onderstreping benadrukt dat zijn status als Joodse burger alle verdere burgerlijke procedures irrelevant maakte voor de bezetter en de meewerkende administratie. Het document dateert uit de herfst van 1942, de periode waarin de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam naar de vernietigingskampen in volle gang waren. De term "razia" (razzia) verwijst naar de gewelddadige arrestatiegolven die de Joodse bevolking terroriseerden.
De opmerking over de Albert Cuypstraat plaatst de familie Heide in het hart van de Joodse geschiedenis van Amsterdam-Zuid. Het feit dat de administratie simpelweg "is Jood" noteerde om een dossier te sluiten, illustreert de totale uitsluiting van de Joodse bevolking uit het maatschappelijk rechtsverkeer. De man in kwestie, A. Heide, was op het moment van deze aantekening waarschijnlijk al weggevoerd naar een concentratiekamp of doorgevoerd via Westerbork. A. Cuypstr A. Heide Heide reageert (Mevrouw)
Samenvatting
Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging in bezet Nederland.
- De brief van de echtgenote: Mevrouw Heide reageert op een oproep voor haar man om op een kantoor te verschijnen. Zij meldt dat hij reeds in Duitsland "zit" (gevangen zit/gedeporteerd is) nadat hij bij een razzia is opgepakt. Het gebruik van "Mej." (Mejuffrouw) terwijl ze over haar man spreekt, was destijds niet ongebruikelijk in correspondentie, hoewel "Mevr." vaker voorkwam.
- Beroep en adres: De aantekening "haring en zuurwaren" duidt op het beroep of de winkel van de familie Heide aan de Albert Cuypstraat 187. Dit was een bekende marktbuurt in Amsterdam met veel Joodse bewoners en ondernemers.
- De ambtelijke beslissing: De meest cruciale en kille passage bevindt zich onderaan. Een ambtenaar noteert op 7 november 1942 dat de oproep voor "werkverruiming" (een eufemisme voor gedwongen tewerkstelling of administratieve controle die vaak voorafging aan deportatie) niet meer hoeft te worden afgehandeld. De reden die hiervoor wordt gegeven is even kort als veelzeggend: "niet noodig — is Jood." De onderstreping benadrukt dat zijn status als Joodse burger alle verdere burgerlijke procedures irrelevant maakte voor de bezetter en de meewerkende administratie.
Historische Context
Het document dateert uit de herfst van 1942, de periode waarin de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam naar de vernietigingskampen in volle gang waren. De term "razia" (razzia) verwijst naar de gewelddadige arrestatiegolven die de Joodse bevolking terroriseerden.
De opmerking over de Albert Cuypstraat plaatst de familie Heide in het hart van de Joodse geschiedenis van Amsterdam-Zuid. Het feit dat de administratie simpelweg "is Jood" noteerde om een dossier te sluiten, illustreert de totale uitsluiting van de Joodse bevolking uit het maatschappelijk rechtsverkeer. De man in kwestie, A. Heide, was op het moment van deze aantekening waarschijnlijk al weggevoerd naar een concentratiekamp of doorgevoerd via Westerbork.