Officiële brief/correspondentie.
Origineel
Officiële brief/correspondentie. 28 januari 1942. Joodsche Raad voor Amsterdam, Afdeling Voorlichting (ondertekend door E. Spier). Joodsche Raad, Afdeling 's-Gravenhage. JOODSCHE RAAD VOOR AMSTERDAM
VOORZITTERS [geaccoladeerd] A. ASSCHER / Prof. Dr. D. COHEN
POSTGIR[O] [doorgestreept] 417242
AMSTERDAM-C., 28 Jan. 1942
Nieuwe Keizersgracht 58
Tel. 55003, 55136, 54970
Bij Uw antwoord te vermelden:
AFD. Voorlichting
REF. Sp/E
Aan den Joodschen Raad
Afdeeling 's GRAVENHAGE
WelEd.Geboren Heren,
Hierbij deel ik U mede, dat Joden tot de Joodse markten in Amsterdam worden toegelaten als verkopers, indien zij zich bij de leiding van een Joodse markt melden, en er plaats open is.
Hoogachtend,
[handtekening: E. Spier]
E. Spier
K 249 Het document is een zakelijke mededeling van de centrale Joodsche Raad in Amsterdam aan de afdeling in Den Haag. De kern van de boodschap is administratief van aard: het vaststellen van de voorwaarden waaronder Joodse marktkooplieden mogen opereren op de specifiek voor Joden aangewezen markten in Amsterdam.
Opvallende elementen:
* De ondertekenaar: E. Spier (Elias Spier) was werkzaam bij de afdeling Voorlichting van de Joodsche Raad.
* Taalgebruik: Het gebruik van de aanhef "WelEd.Geboren Heren" is formeel en archaïsch, gebruikelijk voor die tijd in officiële correspondentie.
* Beperking: De brief benadrukt dat toelating niet onvoorwaardelijk is; men moet zich melden en er moet fysieke ruimte beschikbaar zijn ("indien ... er plaats open is"). Deze brief dateert van januari 1942, een cruciale fase in de bezettingstijd. Sinds september 1941 waren Joden door de Duitse bezetter verbannen van openbare markten. Als reactie (en onder dwang van segregatie) werden er in Amsterdam specifieke "Joodse markten" ingesteld (zoals op het Waterlooplein en het Gaaspstraatje), waar alleen Joden mochten kopen en verkopen.
De Joodsche Raad fungeerde hierbij als de gedwongen uitvoerder van de Duitse maatregelen. Terwijl de Raad probeerde de dagelijkse gang van zaken voor de Joodse bevolking te reguleren en te faciliteren (zoals hier het informeren over verkoopmogelijkheden), was dit tegelijkertijd een instrument van de bezetter om de Joodse gemeenschap verder te isoleren van de rest van de maatschappij. De brief toont de bureaucratische realiteit van de Jodenvervolging: zelfs de toegang tot een marktplaats was strikt gereguleerd en liep via de kanalen van de Raad. E. Spier