Getypte zakelijke brief met handgeschreven aantekeningen en handtekening.
Origineel
Getypte zakelijke brief met handgeschreven aantekeningen en handtekening. 12 maart 1942. J.M. van Minnen, namens "Zending onder de Chinezen in Nederland", Geldersche kade 9, Amsterdam. De Heer Directeur van het Marktwezen te Amsterdam. Zending onder de Chinezen
in Nederland.
No 30/16/2 M. 1942 12/3 [stempel en handgeschreven toevoeging] [paraaf]
Amsterdam 12 Maart 1942
Den Heer Directeur van het Marktwezen te Amsterdam.
Weledele Heer,
mag ik U nog even schrijven over de Chinezen Sien Nien Hsu,
Chow lan B en Huig Lan Chow, waarvoor ik U onlangs een verklaring vroeg, dat
zij al sedert jaren als marktkoopman optreden.
Deze verklaring moet dienen om mij daarmee voorzien te wenden
tot het textieldistributiebureau te Den Haag en daar te vragen om alsnog
deze mensen naast hun ventvergunning ook een marktvergunning te geven.
Verschuiving van werkzaamheden wordt in de Textielbranche niet
toegestaan, daarom moet aangetoond dat het hier niet om een verschuiving gaat
maar om erkenning van een bestaande toestand; daarvoor kan dienen een ver-
-klaring Uwerzijds als bovenbedoeld.
met alle hoogachting,
[Handtekening: J.M. van Minnen]
J.M. van Minnen
Geldersche kade 9 Amsterdam In deze brief behartigt J.M. van Minnen de belangen van drie Chinese mannen: Sien Nien Hsu, Chow lan B en Huig Lan Chow. De kern van het verzoek is het verkrijgen van een officiële verklaring van de Dienst Marktwezen die bevestigt dat deze mannen al jarenlang als marktkoopman werkzaam zijn.
De noodzaak voor deze verklaring vloeit voort uit de strenge distributiewetten tijdens de Duitse bezetting. Het Textieldistributiebureau in Den Haag hanteerde de regel dat er geen "verschuiving van werkzaamheden" mocht plaatsvinden. Dit betekende dat men niet zomaar in een nieuwe sector mocht gaan werken of een nieuwe vorm van handel (zoals de markt) mocht starten als men dat voorheen niet deed. Omdat de mannen momenteel slechts over een "ventvergunning" (huis-aan-huis verkoop) beschikken maar ook op de markt willen staan, moet Van Minnen bewijzen dat dit geen nieuwe activiteit is, maar een "bestaande toestand". De brief illustreert de bureaucratische hindernissen waar kleine zelfstandigen, en in het bijzonder minderheden, tijdens de oorlog mee te maken kregen om hun broodwinning legaal voort te kunnen zetten. De brief is geschreven in maart 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. De Chinese gemeenschap in Amsterdam, destijds geconcentreerd rond de Binnenbantammerstraat en de Geldersekade, bevond zich in een precaire positie. Veel Chinezen waren voormalige zeelieden die door de crisis van de jaren '30 en het uitbreken van de oorlog werkloos waren geraakt en hun toevlucht hadden gezocht in de kleinschalige handel (vaak bekend van de verkoop van pindakoekjes, maar dus ook textiel).
De "Zending onder de Chinezen", gevestigd aan de Geldersche kade 9, speelde een cruciale rol als sociaal steunpunt. J.M. van Minnen trad hierbij vaak op als tussenpersoon tussen de Chinese gemeenschap en de Nederlandse (en soms Duitse) instanties. Hij hielp bij het opstellen van officiële brieven en het navigeren door de steeds complexer wordende regelgeving van de bezetter, zoals de distributiewetten en vergunningsstelsels. De brief biedt hiermee een inkijkje in de overlevingsstrategieën van de Chinese minderheid in bezet Amsterdam.