Getypte brief of ambtelijke mededeling (mogelijk een doorslag of dossierkopie).
Origineel
Getypte brief of ambtelijke mededeling (mogelijk een doorslag of dossierkopie). 26 oktober 1942 (verzending) en 6 september 1942 (referentie). [Handgeschreven rechtsboven]: Verzonden 26/10 hyp 2X
30/76/2 M.
[Rechts]: 26 October 1942.
[Rechts]:
den Heer L. van Noord,
Muiderstraat 35,
Amsterdam-Centrum.
wijk 2.
[Midden]: vrijstelling betaling marktgeld Waterlooplein.
6 September 1942
[Onderaan gecentreerd]: XXXXXXXX Het document is een officiële berichtgeving aan de heer L. van Noord betreffende een vrijstelling voor het betalen van marktgeld op het Waterlooplein.
- Data: Hoewel de brief gedateerd is op 26 oktober 1942, wordt er onderaan verwezen naar 6 september 1942. Dit kan de ingangsdatum van de vrijstelling zijn of de datum van een eerder besluit. De handgeschreven notitie "Verzonden 26/10" bevestigt de verzenddatum.
- Locatie: De Muiderstraat ligt in het hart van de toenmalige Jodenbuurt in Amsterdam, vlakbij het Waterlooplein. De aanduiding "wijk 2" duidt op de administratieve indeling van de stad.
- Administratieve tekens: De afkorting "HG." boven het dossiernummer staat waarschijnlijk voor een specifieke gemeentelijke afdeling. De reeks X-en onderaan fungeert als een afsluitingsteken om verdere toevoegingen aan het document te voorkomen. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De datum, oktober 1942, is saillant omdat de vervolging van de Joodse bevolking in Amsterdam op dat moment in volle gang was.
Het Waterlooplein was van oudsher een centrale plek voor de Joodse handel en markt. Tijdens de bezetting werden Joodse kooplieden steeds meer beperkt in hun doen en laten. In de loop van 1941 en 1942 werden zij gedwongen om op specifieke "Jodenmarkten" te staan, waarna zij uiteindelijk geheel van de markten werden geweerd.
Een vrijstelling van marktgeld in september/oktober 1942 voor een inwoner van de Muiderstraat (een straat die destijds vrijwel uitsluitend door Joodse Amsterdammers werd bewoond) kan wijzen op het stopzetten van de handelsactiviteiten, mogelijk vanwege de deportaties of het feit dat de betreffende persoon niet langer in staat was zijn beroep uit te oefenen door de anti-Joodse maatregelen. Het is een administratief spoor van de bureaucratische afhandeling van het dagelijks leven onder extreme en tragische omstandigheden. L. van Noord