Archiefdocument
Origineel
27 april 1942. J.H. ter Punt, kantoorhoudende aan de Centrale Markthal 1 (Amsterdam). Het Marktwezen, Centrale Markthallen, Amsterdam. J. H. TER PUNT No. 37/36/1 M. 1942 $^{29}/_{4}$
CENTRALE MARKTHAL 1
Woonplaats: MARNIXSTRAAT 210 AMSTERDAM, 27 April 1942
Telefoon 81386
Postgiro 54351
AMSTERDAM
[handgeschreven in blauw/rood:]
*m.i. Dw.*
*Th. Muller* [met paraaf]
Aan Het Marktwezen
Centrale Markthallen
A M S T E R D A M
Mijne Heren,
Bij dezen zeg ik als Treuhänder van de volgende
Firma's per 1 Mei a.s. de huur van de pakhuizen op.
Firma J. Posener Hal(open plaats). ┐
Firma B. Moffie Hal 12 │
Firma Gebrs. Rodenburg Hal 30/6- │ [verticale verbindingslijn]
Firma N. de Rooy Hal ( Nis). │
Firma S. Schelvis Pier C. ┘
Inmiddels teken ik,
Hoogachtend,
[handtekening: *J. H. ter Punt*] In deze zakelijke brief, gedateerd 27 april 1942, zegt J.H. ter Punt de huur op van verschillende locaties (pakhuizen, hallen en een pier) in de Centrale Markthallen te Amsterdam. De opzegging gaat in per 1 mei 1942. Ter Punt handelt hier niet uit eigen naam, maar in zijn functie als "Treuhänder" (bewindvoerder) van vijf specifieke firma's: J. Posener, B. Moffie, Gebrs. Rodenburg, N. de Rooy en S. Schelvis.
Opvallend is de handmatige notatie "30/6-" achter de firma Gebrs. Rodenburg, wat vermoedelijk wijst op een afwijkende einddatum voor dat specifieke pakhuis. De aantekeningen rechtsboven ("Th. Muller") zijn waarschijnlijk van ambtenaren van de gemeentelijke dienst Marktwezen die de brief in behandeling hebben genomen. Dit document is een tastbaar bewijs van de "arisering" van de Nederlandse economie tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog. De term Treuhänder is hier cruciaal: dit waren door de bezetter aangestelde bewindvoerders die de leiding overnamen van Joodse bedrijven. Het doel van deze maatregel was om Joodse eigenaren hun bezit en inkomsten te ontnemen.
De Centrale Markthallen in Amsterdam vormden een vitaal handelscentrum waar veel Joodse ondernemers werkzaam waren. De namen in de brief (onder andere Posener, Moffie en Schelvis) zijn herkenbaar als Joodse namen. Deze brief markeert het moment waarop deze ondernemers officieel hun fysieke plek op de markt verloren, een administratieve stap in het proces van uitsluiting en uiteindelijke onteigening. Veel van deze dossiers eindigden in de liquidatie van het bedrijf of een gedwongen verkoop aan een niet-Joodse partij, terwijl de oorspronkelijke eigenaren in deze periode vaak al werden weggevoerd.