Brief aan een wethouder
Origineel
Brief aan een wethouder 6 juli 1942 Een fruitkoopman (ondergetekende, naam niet op deze pagina vermeld) Wethouder der Levensmiddelenvoorziening te Amsterdam № 531 L.M. 1942 9/6
Amsterdam 6. 7. 42
Aan den Wel Edele Heer Wethouder
der levensmiddelen voorziening
Wel Edele Heer
Naar aanleiding
van de thans aan de Centrale markt
heersende misstanden wenschte ik
u zeer gewaardeerde medewerking
ten einde daar een einde aan te
maken.
Er word door de grossiers misbruik
gemaakt op alle gebieden, sedert
1928 staat onderget: bij het M.W.
als koopman in fruit aangeschreven
tot nu toe is het mij nog niet
mogelijk geweest om maar een
doosje aardbeien machtig te
worden, de grossiers hebben alle
hun vaste clientèle daarvoor
Voorheen waren er een groot
aantal joodsche grossiers
waardoor ons veel handel De schrijver van deze brief, een fruitkoopman die sinds 1928 officieel geregistreerd staat bij het 'M.W.' (waarschijnlijk de Dienst van het Marktwezen), beklaagt zich over de situatie op de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van de klacht is de oneerlijke verdeling van schaarse goederen door grossiers. De schrijver stelt dat hij geen enkel doosje aardbeien kan bemachtigen, omdat grossiers enkel hun eigen "vaste clientèle" bedienen.
Opvallend is de expliciete verwijzing aan het eind van de brief: "Voorheen waren er een groot aantal joodsche grossiers waardoor ons veel handel [mogelijk was]". De schrijver legt hier een direct verband tussen de verslechterde handelspositie van kleine kooplieden en het verdwijnen van Joodse ondernemers van de markt als gevolg van de bezettingsmaatregelen. Dit document stamt uit juli 1942, een cruciale en duistere periode in de Nederlandse geschiedenis. Dit was exact de maand waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland naar de concentratie- en vernietigingskampen begonnen (het eerste transport uit Westerbork vertrok op 15 juli 1942).
In de jaren daarvoor waren Joodse ondernemers al stapsgewijs uit het economische leven geweerd door middel van "ariërisering" en uitsluitingsmaatregelen. De Amsterdamse Centrale Markt was van oudsher een plek waar veel Joodse handelaren actief waren. De brief illustreert de economische ontwrichting die ontstond na hun gedwongen vertrek: de concurrentie nam af en de resterende (niet-Joodse) grossiers konden door de schaarste een monopoliepositie innemen, waar kleine zelfstandigen de dupe van werden. Het document vormt een tastbaar bewijs van hoe de Jodenvervolging diep ingreep in de dagelijkse economische structuren van de stad. Marktwezen
Samenvatting
De schrijver van deze brief, een fruitkoopman die sinds 1928 officieel geregistreerd staat bij het 'M.W.' (waarschijnlijk de Dienst van het Marktwezen), beklaagt zich over de situatie op de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van de klacht is de oneerlijke verdeling van schaarse goederen door grossiers. De schrijver stelt dat hij geen enkel doosje aardbeien kan bemachtigen, omdat grossiers enkel hun eigen "vaste clientèle" bedienen.
Opvallend is de expliciete verwijzing aan het eind van de brief: "Voorheen waren er een groot aantal joodsche grossiers waardoor ons veel handel [mogelijk was]". De schrijver legt hier een direct verband tussen de verslechterde handelspositie van kleine kooplieden en het verdwijnen van Joodse ondernemers van de markt als gevolg van de bezettingsmaatregelen.
Historische Context
Dit document stamt uit juli 1942, een cruciale en duistere periode in de Nederlandse geschiedenis. Dit was exact de maand waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland naar de concentratie- en vernietigingskampen begonnen (het eerste transport uit Westerbork vertrok op 15 juli 1942).
In de jaren daarvoor waren Joodse ondernemers al stapsgewijs uit het economische leven geweerd door middel van "ariërisering" en uitsluitingsmaatregelen. De Amsterdamse Centrale Markt was van oudsher een plek waar veel Joodse handelaren actief waren. De brief illustreert de economische ontwrichting die ontstond na hun gedwongen vertrek: de concurrentie nam af en de resterende (niet-Joodse) grossiers konden door de schaarste een monopoliepositie innemen, waar kleine zelfstandigen de dupe van werden. Het document vormt een tastbaar bewijs van hoe de Jodenvervolging diep ingreep in de dagelijkse economische structuren van de stad.