Archief 745
Inventaris 745-378
Pagina 250
Dossier 17
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtelijke brief (doorslag).

6 juli 1942. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt Amsterdam). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam ("Alhier").

Origineel

Ambtelijke brief (doorslag). 6 juli 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam ("Alhier"). [Handgeschreven linksboven in blauw potlood:] bij Vermonden 17/7-1942

[Handgeschreven rechtsboven in blauw potlood:] ter k. Müller } t.h. k. Brown

[Getypt rechtsboven:] VB/HB.

[Getypt midden:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

[Getypt links:] 37/60/2 M.
[Getypt midden:] 2.
[Getypt rechts:] 6 Juli 1942.

[Getypt links:]
ontbinding huurcontract
Centrale Markt door toe-
passing van artikel 17 lid
3 van het Reglement op de
Centrale Markt.

[Hoofdtekst:]
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat de grossier A.Bijl te Rotterdam, beheerder onder andere van de Joodsche zaak van N.Hagenaar, pakhuis E.18 op de Centrale Markt, mij heeft verzocht met ingang van 1 Juli 1942 in aanmerking te mogen komen als huurder van pakhuis E.15, welk pakhuis in verband met het niet meer toelaten van Joodsche grossiers tot de Centrale Markt is vrijgekomen. Krachtens artikel 17, lid 3, van het Reglement op de Centrale Markt staat een aldaar vrijkomende pakhuisafdeeling allereerst ter beschikking van degenen, die reeds een soortgelijke pakhuisafdeeling gebruiken en deze tegen de beschikbaar gekomen afdeeling willen ruilen.

Ik heb de eer U beleefd te verzoeken wel te willen bevorderen, dat bij Besluit van den Burgemeester, het ten name van N.Hagenaar gestelde contract, beheerder A.Bijl, voor pakhuis E.18 op de Centrale Markt per 1 Juli 1942 wordt ontbonden en het in bijlage dezes overgelegde contract (in duplo) voor pakhuis E.15 op de Centrale Markt door den Burgemeester wordt geteekend. Het contract (in duplo) gelieve U mij daarna te retourneeren; dezerzijds kan dan voor registratie worden zorggedragen.

[Rechtsonder:] De Directeur,

[Linksonder handgeschreven paraaf in blauw:] JvB Dit document is een administratieve neerslag van de 'arisering' van de Amsterdamse economie tijdens de Duitse bezetting. De kern van de brief is het verzoek om een huurcontract van een Joodse ondernemer (N. Hagenaar) formeel te beëindigen en de vrijgekomen ruimte (pakhuis E.15) over te dragen aan een niet-Joodse beheerder (A. Bijl).

Belangrijke elementen:
1. Beheerder (Verwalter): A. Bijl wordt opgevoerd als "beheerder" van de Joodse zaak. In de bezettingstijd werden Joodse bedrijven vaak onder toezicht gesteld van een beheerder (vaak een NSB'er of een zakelijk opportunist), wat meestal de inleiding was voor de definitieve onteigening of liquidatie van de zaak.
2. Uitsluiting: De brief stelt expliciet dat pakhuis E.15 is vrijgekomen "in verband met het niet meer toelaten van Joodsche grossiers tot de Centrale Markt". Dit verwijst naar de specifieke verordeningen die Joden verboden deel te nemen aan het openbare handelsleven.
3. Juridische inkleding: De verschuiving van pakhuizen wordt gelegitimeerd via de reguliere marktreglementen (Artikel 17), waardoor de uitsluiting en onteigening een schijn van legaliteit en normale administratieve afhandeling krijgt. De brief is gedateerd op 6 juli 1942. Dit is een buitengewoon sinistere datum in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland: slechts enkele dagen later, op 15 juli 1942, vertrok de eerste trein uit kamp Westerbork naar Auschwitz.

De Centrale Markt in Amsterdam (aan de Jan van Galenstraat) was het kloppend hart van de voedselvoorziening. Veel Joodse ondernemers waren generaties lang werkzaam in de groothandel in groenten, fruit en vis. Nathan Hagenaar, de in de brief genoemde ondernemer, was een bekende Joodse vruchthandelgrossier.

Vanaf 1940 voerden de nazi's een reeks verordeningen in om Joden uit de economie te drukken. In mei 1942 werd de Jodenster ingevoerd en in de zomer van 1942 werd de overgang gemaakt van sociale en economische isolatie naar fysieke deportatie. Dit document toont aan hoe de gemeentelijke bureaucratie van Amsterdam (de Wethouder en de Directie van de Markt) meewerkte aan de uitvoering van deze uitsluitingsmaatregelen door de logistieke en juridische afhandeling van de vrijgekomen 'Joodse' bezittingen te verzorgen.

Samenvatting

Dit document is een administratieve neerslag van de 'arisering' van de Amsterdamse economie tijdens de Duitse bezetting. De kern van de brief is het verzoek om een huurcontract van een Joodse ondernemer (N. Hagenaar) formeel te beëindigen en de vrijgekomen ruimte (pakhuis E.15) over te dragen aan een niet-Joodse beheerder (A. Bijl).

Belangrijke elementen:
1. Beheerder (Verwalter): A. Bijl wordt opgevoerd als "beheerder" van de Joodse zaak. In de bezettingstijd werden Joodse bedrijven vaak onder toezicht gesteld van een beheerder (vaak een NSB'er of een zakelijk opportunist), wat meestal de inleiding was voor de definitieve onteigening of liquidatie van de zaak.
2. Uitsluiting: De brief stelt expliciet dat pakhuis E.15 is vrijgekomen "in verband met het niet meer toelaten van Joodsche grossiers tot de Centrale Markt". Dit verwijst naar de specifieke verordeningen die Joden verboden deel te nemen aan het openbare handelsleven.
3. Juridische inkleding: De verschuiving van pakhuizen wordt gelegitimeerd via de reguliere marktreglementen (Artikel 17), waardoor de uitsluiting en onteigening een schijn van legaliteit en normale administratieve afhandeling krijgt.

Historische Context

De brief is gedateerd op 6 juli 1942. Dit is een buitengewoon sinistere datum in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland: slechts enkele dagen later, op 15 juli 1942, vertrok de eerste trein uit kamp Westerbork naar Auschwitz.

De Centrale Markt in Amsterdam (aan de Jan van Galenstraat) was het kloppend hart van de voedselvoorziening. Veel Joodse ondernemers waren generaties lang werkzaam in de groothandel in groenten, fruit en vis. Nathan Hagenaar, de in de brief genoemde ondernemer, was een bekende Joodse vruchthandelgrossier.

Vanaf 1940 voerden de nazi's een reeks verordeningen in om Joden uit de economie te drukken. In mei 1942 werd de Jodenster ingevoerd en in de zomer van 1942 werd de overgang gemaakt van sociale en economische isolatie naar fysieke deportatie. Dit document toont aan hoe de gemeentelijke bureaucratie van Amsterdam (de Wethouder en de Directie van de Markt) meewerkte aan de uitvoering van deze uitsluitingsmaatregelen door de logistieke en juridische afhandeling van de vrijgekomen 'Joodse' bezittingen te verzorgen.

Kooplieden in dit dossier 78

Abraham Cosman plaatsgeld Mei.
A. van Velzen F.J. Beugel & Zn.
A. van Velzen Uilenburg N.Uilenburgerstr.
A. van Velzen huur Mei.
A. Wijnschenk Waterlooplein
B. Moffie 7 md = 583.33 —
B. Moffie J.H. ter Punt
B. Moffie Waterlooplein
B. Polak. Uilenburg Diezestr.10 / Tilanusstr.78
B. Thijn Uilenburg Wielingenstr.18 / Cillierstr.6
D. Appelboom huur Mei.
D. Appelboom Rapenburgerstr.185
E. Brasem Waterlooplein Waterlooplein 25 / Waterlooplein 25
E. Pach-Schellevis Uilenburg
Expediteurs(waaronder begrepen de overkruiers)
Gebr.Cosman Waterlooplein
G. Hagenaar Waterlooplein Vrolikstraat 56 / Retiefstraat 21
Gebr.Meents Uilenburg Amstellaan 57
C. Meentz 7 md 291.66 -
C. Meentz J.J. Griffioen
Gebr.Rodenburg Waterlooplein
H. Krant Waterlooplein Eemstr.60 / Eemstraat 9
H. Krant id.
H. Meents Waterlooplein Retiefstr.12 / Retiefstr.12
H. Meentz id.
H. Meentz 7 md 291.66
H. Meentz plaatsgeld:
H. de Rooy 7 md = 437.50 —
Alle 78 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6