Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam. [Linksboven stempel en tekst in paars en zwart:]
№ 39/8/2 M. 1942 11/2
Afschrift
No. 5/39 L. M. 1934 2
[Rechtsboven handgeschreven:]
Hr. Müller [gevolgd door onleesbaar paraaf]
[Wapen van Amsterdam]
BURGEMEESTER ~~EN WETHOUDERS~~ VAN AMSTERDAM,
Gezien de mededeeling van Abraham Schavrien, geboren 3 Februari 1912, wonende Plantage Kerklaan 34 III, dat hij niet langer gebruik wenscht te maken van de hem bij beschikking dd. 2 December 1939, no. 5/743 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats op den openbaren weg, ten verkoop van fruit:
A. den rijweg van de Lepelstraat voor den zijgevel van perceel Weesperstraat 128;
B. den rijweg van de Lepelstraat voor perceel 20 C;
Heeft goedgevonden de vergunning tot het innemen eener vaste standplaats, bij die beschikking verleend, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 14 Januari 1942, in te trekken.
GM
Amsterdam, 10 Februari 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN Dit document is een administratieve neerslag van de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven tijdens de Duitse bezetting.
- Bestuurlijke wijziging: De woorden "EN WETHOUDERS" zijn doorgestreept. Dit verwijst naar de opheffing van de gemeenteraad en het college van B&W door de bezetter in 1941. Burgemeester Edward Voûte trad daarna op als 'regeringscommissaris' met alleenheerschappij onder toezicht van de Duitsers.
- Abraham Schavrien: Het document vermeldt dat hij "niet langer gebruik wenscht te maken" van zijn vergunning. In de context van februari 1942 is dit zeer waarschijnlijk een eufemisme voor gedwongen beëindiging. Vanaf 1941 werden Joodse marktkooplieden en straathandelaren stelselmatig geweerd van openbare standplaatsen.
- Locatie: De standplaatsen bevonden zich in de Lepelstraat, nabij de Weesperstraat, een gebied dat destijds centraal lag in de Amsterdamse Jodenbuurt. In 1942 bereikte de anti-Joodse regelgeving een dieptepunt. Kort na het opmaken van dit document begonnen de grootschalige deportaties naar de kampen. Het intrekken van deze vergunning betekende voor Abraham Schavrien het verlies van zijn middel van bestaan.
Onderzoek in archieven (zoals het Joods Monument) bevestigt dat Abraham Schavrien de oorlog niet heeft overleefd; hij werd in september 1942 vermoord in Auschwitz, slechts zeven maanden na de datum op dit document. De naam "Müller" rechtsboven kan verwijzen naar een ambtenaar van de Wirtschaftsprüfstelle of een andere bezettingsinstantie die toezag op de 'arisering' of eliminatie van Joodse bedrijven. J.F. Franken